Wesemael, frietbakker

Een gedrongen gestalte, petje op het kalende hoofd, stevige hand en een lach die af en toe aarzelend doorbreekt. Wilfried Wesemael laat zich niet kennen als een uitbundige. Eerder ingetogen. Jarenlang was hij knecht bij de Raleighs van Peter Post en Jan Raas.

Hij is net 59 geworden, Wilfried Wesemael uit de Botermelkstraat in Aalst. Op de Hopmarkt van diezelfde stad heeft hij zijn nering, frituur Wil-Frit. Eerst trouw Vlaams wielerknecht in dienst van de Nederlandse topper Jan Raas, Wilfried heten en dan ook nog bakker worden van de beste friet van België. Wilfried Wesemael voldoet in zowat alles aan het clichébeeld van de noeste, bescheiden Vlaming.
Wesemael, de trouwe helper van Jan Raas, gaat er eens goed voor zitten, in een cafeetje op de Aalster Hopmarkt. Ze kennen hem daar als lid van de plaatselijke middenstand. De baas serveert vlot een Hoegaarden. Eéntje, want later op de dag moet Wesemael weer aan het werk. Dat doet hij zo’n honderd uur per week, werken. In het weekend is zijn frituur open tot half zes, ’s ochtends. En dat van die beste friet van België, dat is officieel hé. In 2003 werd Wesemael door een Vlaamse consumentenclub samen met anderen aangewezen als topper. Zijn geheim is eenvoudig. ,,Goede aardappelen en elke dag nieuw vet.’’
Maar over aardappelen zal het verder niet veel gaan, deze middag. Wesemael zit nog maar een minuut op zijn praatstoel, of we zijn al aanbeland in de Ronde van Zwitserland 1979. Die won hij.
,,Ik reed dat jaar goed, Ik had het voorjaar gemist door een ontstoken knie en achillespees en had dus reserves. In Zwitserland begon ik met een sterke proloog. In de eerste rit was ik mee met een ontsnapping. Ik werd tweede. In die ronde zaten de klimmers veel naar elkaar te kijken en kon ik voorin blijven in het klassement. Op een gegeven moment had ik de leiding. Gerrie Knetemann stond ook goed en Post vond dat we voor hem moesten rijden, maar Jan Raas heeft toen schijnbaar met zijn vuist op tafel geslagen en gezegd dat ik ook wel eens een keer mocht winnen. Ik heb van die ruzie niet veel geweten. Maar het jaar ervoor had ik bij Raleigh genoeg op kop gereden dus ik verdiende wel een cadeau.’’
Hoe dan ook, Wesemael hield stand tot het eind en beleefde in Zwitserland het hoogtepunt van zijn loopbaan, in zijn beste jaar. In de Ronde van Luxemburg werd hij in 1979 tweede in het algemeen klassement en in de Dauphiné won hij dat seizoen een ritje. Daarna kwam de Tour, een breekpunt. ,,In de derde rit ben ik gevallen. Er waren twee scherpe bochten naar rechts en de tweede heb ik gemist. In het begin dacht ik dat het niet zo erg was, maar er kwam nog een hoop sores achteraan. Ik zat met een opgezwollen been, het kwam nooit meer helemaal goed. Ik was na een koers vaak moe alsof ik er twee gereden had. Het was starten en opgeven. Ik kon ook niet meer bergop, dan is het over en uit. Na een tijd kon ik de moed niet meer opbrengen. Ik heb na die Ronde van Zwitserland nooit meer iets kunnen laten zien. Daar heb ik het na mijn carrière wel moeilijk mee gehad.’’
Toch hield Wesemael het na die val in 1979 nog drie jaar vol als beroepsrenner, nog twee jaar bij Raleigh en zijn laatste seizoen bij het onbeduidender ploegje van Safir. Bij een klein ploegje begon het ook, in 1973. Hertenkamp heette die Belgische formatie. Later belandde Wesemael in de rangen van de Franse burggraaf Jean de Gribaldy. Daar koerste hij drie jaar voordat hij zich aan Jan Raas verbond en meeging voor eerst één seizoen Frisol en later vier jaar Raleigh.
Er waren wielervolgers die Wesemael in zijn jonge jaren een grotere loopbaan voorspelden, gezien zijn resultaten. ,,Ik kon goed mijn plan trekken, bij de nieuwelingen won ik vier, zes koersen op een jaar. En op de baan heb ik zesdaagsen gewonnen en werd ik Belgisch kampioen achtervolging.’’
Toch, het tegendraadse karakter van een kampioen was niet het karakter van Wilfried Wesemael. En er lag nog een obstakel op zijn weg naar de absolute wielertop. ,,Ik was allergisch, in de zomers had ik daar last van. In het voorseizoen was ik altijd op mijn best. In een seizoen had ik te veel hoogtes en laagtes. In de eendagskoersen lag het tempo vaak te hoog voor mij. Dat zijn meer koersen voor de echte bonkers, dat was ik niet. Maar als ik goed was, kon ik met besten mee.’’
Wesemael schikte zich in dat lot en vond snel zijn plek in het peloton, aan de zijde van Jan Raas, bij Frisol.,,Er waren in die ploeg jongens die knokten voor hun eigen zesde of zevende plek, maar dat deed ik niet. In de eerste Milaan – Sanremo die ik met Raas reed, in 1977, reed hij lek. Ik had hem kunnen laten staan, maar ik gaf mijn wiel. Raas won die dag. Vanaf dat moment was onze samenwerking vertrokken.’’
Het bleek een vruchtbare samenwerking, waarin Wesemael zich van tijd tot tijd opofferde voor de Zeeuwse ijzervreter. ,,In de Tour van 1978 won Raas de proloog, maar kreeg hij de gele trui niet, zogenaamd omdat het weer te slecht was. De dag erop was de etappe naar Sint Willebrord. Ik heb daar die hele rit op kop gereden om mannen terug te pakken en de sprint gemeneerd. Jan won.’’
De bewondering voor Raas’onverzettelijkheid klinkt nog steeds door in de verhalen van Wesemael. Die ene keer dat ze op woensdag een criterium reden in Berlare, en dat ze het weekend erop Blois-Chaville op het programma hadden staan. ‘Na de koers in Berlare zijn we een paar pinten gaan pakken. Jan heeft de hele week verder niet meer getraind, maar in Chaville reed hij in de finale Gregor Braun er gewoon af. Die Ronde van Vlaanderen die Michel Pollentier won, was Jan snipverkouden. Hij heeft de hele dag zitten hoesten, maar werd wel derde.’’
Toch is het niet alleen bewondering wat de klok slaat. Wesemael durft zich ook kritisch uit te laten over Raas en diens vertrek bij de Rabobankploeg. ,,Op dat hoogste niveau moet je bij de pinken blijven en altijd bij de koersen aanwezig zijn. Jan pintelierde misschien ook te graag. Die hoge mannen van de bank drinken dan wel met je mee, ze vergeten niks. Maar het is jammer dat  Jan niks meer met het wielrennen te maken wil hebben.’’
Ook over Kees Priem heeft Wesemael een kritische noot. Wesemael is getrouwd met een nicht van Priem, Anita Goense, wier boer Antoine ooit veelbelovend coureur was. ,,Priem wilde Antoine niet in zijn ploeg nemen. Dat heb ik hem altijd kwalijk genomen.’’
Om maar te zeggen dat het niet alleen maar braafheid is, bij Wilfried van Wil-Frit. De scherpe kantjes zijn er ook. Tegelijkertijd vertelt Wesemael met lichte verwondering over die keer dat zijn landgenoot Paul Wellens, ook Raleigh, kans maakte om de Ronde van Zwitserland te winnen. Wellens moest op last van Peter Post in kansrijke positie wachten op Joop Zoetemelk, die vervolgens loste. ,Ik lag toen bij Wellens op de kamer en hij was in alle staten. Ik heb dat nooit zo gehad. Ik zat er niet mee als ik niet won.’’
Wesemael beleefde zijn genoegen aan andere dingen. De revanche op Michel Laurent bij  voorbeeld, in de Ronde van de Middellandse Zee 1980. ,,Ik had een paar jaar eerder bij De Gribaldy voor Laurent gereden. Ik moest hem alsmaar terugbrengen voor in het peloton, maar ik kreeg er nooit een bedankje voor. In de Middellandse Zee hadden we dat jaar een rit naar Perpignan, door lagunes. Ik heb toen de hele dag gedemarreerd en de mannen van Laurent moesten me steeds terugpakken. Laurent zelf was helemaal kapot. Daar hebben we hem mooi teruggetrakteerd. Dat deed me echt goed.’’
Zo vliegen de wielerverhalen over tafel. Milaan – Sanremo, de koers waarin Wesemael derde werd in het jaar dat Raas won. ,,Een koers van zenuwen van het begin tot het eind. In elke bocht hoor je het kraken en het gevloek van de renners die tegen elkaar aan rijden. En die weg langs de kust naar Sanremo is één lange bocht.’’
Kuurne-Brussel-Kuurne, nog eens gewonnen door Wesemael in een massasprint. ,,Er vielen er een hoop in de laatste bocht en ik kon er langs. Die overwinning was wel verrassend, maar ik was ook weer niet zo traag.’’
Het leren vallen en weer rechtstaan, dat is de grootste verworvenheid die Wesemael aan het wielerleven heeft overgehouden. ,,Ik heb tegenslagen gehad waar andere mensen misschien aan onderdoor zouden zijn gegaan; pech op de beurs en een keer met een onbetrouwbare zakenpartner in zee gegaan. Maar het is goed gekomen.’’
Vandaag de dag denkt Wesemael het fietsen weer op te gaan pakken, na jaren stilstand vanwege hard werken. Hij heeft nog een karretje staan, met zelf gevlochten wielen. ,,Een Concorde geloof ik.’’ Zonder computertje erop heeft hij al wat tochtjes gemaakt langs de Schelde en de Dender. ,,Mooie vlakke routes.’’ Dat is ook goed voor zijn spataderen, waaraan hij in maart geopereerd wordt. Zijn huidige parkoersen voeren hem soms langs Geraardsbergen. Ligt daar niet een beroemd obstakel, een Muur? ,,Die ligt er zeker, maar ik laat hem mooi liggen. Ik ben er al vaak genoeg tegenop gereden.’’

Uit Wielerrevue januari 2009