De Vleut vloog er weer eens in

De dokter zei tegen hem: rijd nou niet meer voor 130 procent, dat is niet goed. Dus rijdt Jos van der Vleuten (62) niet voor 130 procent op een vrijdagavond over de dijken van Hank. Er is daar een koersje voor oud-beroepswielrenners, en De Vleut komt op achterstand binnen. Dat is niet zijn gewoonte, maar wel beter voor zijn hart. Want de dokter zei het dus, na dat infarct; niet meer voor 130 procent, Jos.

Jos van der Vleuten, geboren in Mierlo-Hout, vliegt er het liefst meteen in. Dat zit in zijn genen, zegt hij. Dus als je hem voor het eerst ontmoet, twee minuten na dat koersje in Hank, geeft hij een stevige hand en brandt hij los. Over dat infarct, over de hartslagmeter die hij tegenwoordig voor de zekerheid draagt als hij fietst in de bergen, over zijn vrouw Tanja, met wie hij trouwde in mei. En als je dan twee weken later bij De Vleut aan tafel belandt, in zijn huis in het Zeeuwse Nieuw en Sint Joosland, stelt hij meteen lachend vast dat koffie zetten beter gaat mét water dan zónder, herstelt hij zijn vergissing in een handomdraai en begint hij meteen te vertellen zonder stoppen. Het gaat hem uitstekend.

Jos van der Vleuten ‘heeft tien jaar beroepsrenner gereden’, van 1964 tot 1974. Hij koerste in fameuze ploegen. Televizier. Goudsmit Hoff. Willem II-Gazelle. Lomme Driessens was ooit zijn ploegleider, Cees Pellenaars ook. ,,Van de Pel hoor je allemaal gekke verhalen, dat hij geld in zijn eigen zak stak, maar ik heb geen gulden van hem tegoed. Hij was wel keihard. Als je slecht reed kon hij je gruwelijk koeioneren.’’

Keihard, dat was Van der Vleuten ook, soms. En soms ook weer niet. Wanneer wel? In Olympia’s Tour, als amateur. Het was die dag aankomst in zijn eigen streek, in Helmond. ,,Bij het paviljoen van Helmond Sport. Er was daar een smalle weg, een nieuwe weg, met van die losse steentjes. Ik ga daar onderuit en had een schaafwond van mijn enkel tot achter mijn oor, echt waar. In het ziekenhuis hebben ze me op de snijtafel gelegd om de steentjes eruit te pulken. De volgende dag zeg ik vriendelijk goeiendag tegen een verpleegster. ‘Bedoel je dat jij weer gaat fietsen?’ ‘Ja, Helmond – Amsterdam.’ De dokter vond het onverantwoord. Pietje Liebregts, mijn ploegleider, zegt: ‘Durf je het aan?’ ‘Ja.’ Ergens bij Zevenbergschen Hoek wordt het wazig voor mijn ogen en lig ik ineens zo onderin een sloot. Maar opgeven was er dus niet gauw bij.’’

Toch scheelt het maar weinig of Van der Vleuten geeft al op na zijn eerste jaar als beroepsrenner. In zijn eerste Omloop Het Volk wordt hij derde, en in zijn eerste Parijs-Nice leert hij de wetten van de profsport kennen. De jonge Vleut fietst hard en denkt het hele spel ondersteboven te kunnen rijden. Jan Janssen vindt dat niet leuk. ,,Ik had daar twee ritten kunnen winnen als Janssen niet tegen me had gereden.’’

Het profmilieu is keihard, maar dit is niet het soort keihard waar Van der Vleuten voor valt. Hij vindt het maar oneerlijk allemaal, en denkt serieus aan stoppen. Hij solliciteert een beetje in het wilde weg als verpleger in het ziekenhuis in Helmond, dat ziekenhuis waar hij een paar jaar eerder tegen de zin van de artsen uit wegliep. Ze reageren er niet op zijn open sollicitatie en De Vleut stapt weer op de fiets. Hij besluit het anders te gaan doen. Hij gaat zijn diensten verkopen in de koers, maar ook weer niet zomaar elke dag aan iedereen. ,,Ik heb altijd voor grote namen gereden. Als goeie knecht moet er handelsgeest in je zitten. In Parijs-Nice kwam Poulidor vragen of ik een gat dicht wilde rijden. Voor Poulidor had ik dat over, dat was een simpele. Maar voor Gimondi heb ik een keer niet gewerkt. Ik dacht: gij bent hier de grote kampioen, rij het zelf maar dicht.’’

Af en toe kan Van der Vleuten een aansporing van ploeggenoten ook wel plaatsen. ,,In de Ronde van Spanje van 1966 was ik in de eerste vier ritten twee keer tweede geworden. Jo de Roo zei tegen mij: je bent aan het spelen met ons geld. Je had al lang de gele trui moeten hebben. Dat klopte, dus de volgende dag, in de rit naar Valencia, ben ik weggesprongen en heb ik niet meer achterom gekeken. Ik heb gereden, gereden, dat vergeet ik nooit meer. Alleen valk voor de meet kijk ik even achterom, zie ik daar een Spanjaard zitten, met zo’n mooi zwart kupke; Jose-Antonio Momene. Hij zat in mijn wiel en klopte me. Maar die Vuelta heb ik wel de groene trui gewonnen, voor Gerben Karstens. Daar ben ik altijd trots op geweest.’’

Na tien jaar geld verdienen en dingen meemaken tussen de wielen vindt De Vleut het welletjes. ,,Ik had geen zin meer in dat circus en ik had twee kinderen om voor te zorgen.’’ Van der Vleuten gaat werken in de gereedschapsslijperij, met zijn zwager Berry. Hij gaat de baan op en merkt dat hij veel sympathie heeft bij de mensen. Dat is nog steeds zo. Ze kennen hem als De Vleut, de aanvaller. ,,Gisteren reed ik nog in een fietsgroepje met een broer van Piet Rentmeester. Hij begon over het wereldkampioenschap van 1967 in Heerlen. In de eerste kilometer dacht ik toen; efkes de benen testen. De benen waren goed. Merckx komt erbij, Motta komt erbij, de Spanjaard Saez en nog een Engelsman. We pakken zo drie minuten. Van ploegleider Geldermans moest ik na een tijdje wachten omdat Jan Janssen eraan kwam. Dus ik ga daar aan de kant staan, toevallig net bij iemand uit Mierlo-Hout, Jan de Slager was dat. Hij had een fleske bier, dat dronk ik half leeg.’’

Later die dag zou Jan Janssen de sprint verliezen van Eddy Merckx. De Vleut werd vijfde, al staat zijn naam niet meer in de officiële uitslag. De hele dag erin gevlogen, ook bij de controle médical.

Dat Van der Vleuten vandaag de dag weer op de racefiets zit, met geschoren benen, goed gebruind, een en al gezondheid zo te zien, is niet vanzelfsprekend. Na zijn profloopbaan ging hij voetballen. Het ging hem niet altijd goed. Zijn vrouw liep bij hem weg. Tien jaar was hij op de sukkel. ,,Eenzaamheid en alleen zijn valt niet mee. Ik kwam best wel eens een vrouwke tegen, met eentje heb ik nog twee jaar verkering gehad, of drie. We gingen dansen en winkelen, maar na het weekend was ik altijd weer blij als ik naar huis kon. Dan zit het niet goed. Ik heb ook een bietje therapie gedaan, reparing balance. Ik ging een uur per week buurten. Dat werkte goed. Ik kreeg meer rust in mijn ziel.’’

Na een fietstocht in Zeeland, een tijd geleden, nam Van der Vleuten een kop soep. Aan een tafel zat een vrouw die ook net had gefietst en De Vleut vloog er weer in. ,,Ben jij toevallig single? Ja? Godverdomme, ge hét nog mooie ogen ook, ik kom bij jou zitten.’’

Zo kreeg De Vleut een nieuwe vriendin. Trouwen daar dacht hij niet direct aan. José Bal, de vrouw van Cees, wel. ,,Ze kwam naar me toe en zei: ‘Je moet Tanja ten huwelijk vragen in de Beaujolais, op de reünie van Tourrenners. Ik heb daar lang mee in mijn kop gelopen, want ik wilde wel. ’s Avonds was er een diner dansant, dan zit er duizend man aan tafel. Tonny Eijk speelde muziek. Ik zeg tegen hem: ‘je moet me vanavond helpen.’ Hij zou alles regelen. Dus we zitten daar aan tafel, word ik naar voren geroepen door Daniel Mangeas, de speaker van de Tour. Tanja dacht dat ik een prijs had gewonnen, maar ze moest zelf ook naar voren komen. Daar heb ik haar gevraagd of ze met me wilde trouwen. Ze zei ‘ja’.’’

Het huwelijk, op 8 mei dit jaar, werd een wielerreünie op zich. Van der Vleuten verkaste van Brabant naar Zeeland, waar hij nu samen met zijn vrouw in antiek doet. ,,Ik ben nu een ZeBra. Mensen vragen me wel eens wat ik hier doe, als Brabander in Zeeland, maar ik heb er geen spijt van. Ik hou wel van rust, en als je het met zijn tweeën goed hebt, heb je verder niemand nodig.’’