Gery Verlinden kreeg geen eten

Nee dan vroeger. Spartaans ging het er vroeger aan toe. Vraag maar aan Gery Verlinden over zijn tijd bij IJsboerke, in de Tour. En geloof het of niet, vraag gerust drie, vier keer of het wel echt waar is, maar Verlinden zal niet wijken. De IJsboerke-ploeg kreeg in de Tour van 1979 op een kwade dag geen eten. Met een lege maag naar bed. Voor straf.

Vroeger. De details van die rit staan de voormalig Belgisch Kampioen (1979) Verlinden nog voor ogen. In zijn herinnering was het de rit naar Rennes. Leo van Vliet won, in zijn herinnering. In de boeken staat dat Van Vliet dat jaar zijn enige Touretappe ooit pakte in Deauville. Maar hoe dan ook,  ,,er reed die dag een grote groep weg met niemand van d’n IJsboer erbij. De ploegleiding was zo kwaad, we kregen geen eten. Helemaal niks.’’

Gery Verlinden, prof tussen 1977 en 1987, reed voor heel wat ploegen. Bij ‘d’n IJsboer van 1977 tot en met 1980, voor Boule d’Or-Sunair in 1981 en 1982, voor Euroshop-Splendor in 1983, bij Splendor-Mondial-Moquette-Marc Zeepcentrale in 1984, voor Verandalux-Dries in 1985 en in 1986 voor Fangio-Lois. Tien jaar tussen de wielen levert een schatkist aan verhalen op. Geen wonder dat er eens een detail verspringt. Maar geen eten, dat staat bij Verlinden wel vast. Het verhaal past ook in de manier waarop hij tegen het fietsen van vandaag de dag aankijkt. Niet verzuurd, niet chagrijnig, maar toch: vroeger was het zwaarder.

,,Voor het wk in Colombia kwam ik Herman Vanspringel tegen. Hij vertelde me dat Museeuw niet zou meedoen aan dat wk omdat het te zwaar voor hem was. Te zwaar! Als wij vroeger niet mee mochten naar het wk was ons hele seizoen mislukt. En Museeuw zegt gewoon zelf af!’’

Nog zoiets. Vroeger zag je aan de renners dat ze hadden afgezien, dat het zwaar was geweest, dat ze hadden geleden. Getekende gezichten, groeven in het gelaat. Moet je vandaag de dag eens goed opletten. ,,Als je na de finish de tv opzet en ze zeggen dat ze gaan vertrekken, dan geloof je het ook, zo fris zien die mannen er na de koers nog uit. Als ik naar de Tour ging woog ik 66, en erna nog 58. Graatmager was ik. Nu blijven die mannen hetzelfde.’’

Gery Verlinden heeft wel een idee over hoe dat kan. Gery Verlinden zegt niks. Hij lacht en loopt door het huis alsof hij nog midden in een grote ronde zit. Op Adidas-slippers, in sportieve kleding, met een afgetraind lijf. Anderhalf jaar geleden maakte dat lijf hem aan het schrikken. Hij kreeg een hartinfarct en er bleef ‘een klonterke bloed’ vastzitten in de hersenen. Het lichamelijk leed is nu geleden, maar er is toch iets blijven hangen van die episode. Het infarct leidde tot ontslag. Zeventien jaar met een vrachtwagen gereden om tapijten op te halen die schoongemaakt moesten worden, zeventien jaar bij dezelfde baas, en dan mag je na ziekte vertrekken. Mooie boel. Intussen heeft Verlinden weer ander werk, hij bevoorraadt garages, maar toch. Het wielrennen heeft hem niet zo hard gemaakt dat het hem niks meer doet, op straat na zeventien jaar. Terwijl het toch niet zijn eerste grote tegenslag was. Die dateert van veel eerder, na een rit in de Ronde van het Baskenland, ook in de IJsboerke-tijd. Met zijn zevenen zaten ze in een auto, Polleke Haghedooren achter het stuur, toen ze over de kop sloegen. ,,Naderhand heb ik nooit meer goed kunnen klimmen.’’

Voor de beklimming van de Joux Plane maakte dat niks uit, zegt Verlinden met pretoogjes. ,,Daar ben ik nooit goed op geraakt. Als je denkt dat je boven bent  moet je nog vier, vijf kilometer…’’

Dan lag Alpe d’Huez hem beter. ,,Ik vond dat een plezante col om op te rijden. Ik heb er ook nooit bang van gehad. Als ik hem zag, demarreerde ik al. Ik ben eens alleen aan de voet van die klim begonnen, en ook een keer samen met een Fransman. Maar ze lieten me nooit ver gaan, want ze wisten dat ze dan last met mij zouden krijgen.’’

In 1979 had Verlinden op zijn beurt last met de berg. Dat jaar lag de finish twee dagen op rij op de top van de Alpe d’Huez. Verlinden was al aardig door zijn krachten heen. ,,Thurau heeft toen de hele Tour aan mijn trui gehangen, als kopman. Dat duurde tot aan de klimtijdrit Morzine - Avoriaz. Daar werd hij op minuten gereden. Ik stond vijfde in het algemeen klassement en werd zelf kopman. De eerste dag op Alpe d’Huez ging goed, ik werd negende. De volgende dag moest ik zien dat ze me niet zouden lossen, dan zou ik met een mooie klassering in Parijs aankomen, want het was de laatste bergrit. Maar wat gebeurde er aan de voet van Alpe’d’Huez? Ik ben afgestapt. Ik raakte er gewoon niet op. Ik was helemaal leeg gereden. Veertien dagen later won ik weer.’’

Dat gebeurde allemaal in de nationale driekleur van België. Aan de muur van zijn huiskamer in het Antwerpse dorp Lint hangt een grote foto van Verlinden in die trui. Hij is nog altijd trots op de titel. ,,Ik was de beste die dag. Half koers kwamen we met 25 man voorop. Op een toer of zes voor het einde ben ik er alleen vandoor gegaan. In de laatste toer werd ik teruggepakt, maar als ik goed reed, bleef ik demarreren. Ik heb de laatste kilometers met het peloton achter me aan gereden, ik kon ze de hele tijd door mijn armen heen zien. De massasprint was vijf seconden na mij.’’

En niet eens uitgeput na de koers. Dat was wel anders in een bergrit in de Tour. In Verlindens herinnering was het op Les Deux Alpes. Volgens de boeken deed die berg pas in 1998 voor het eerst dienst als finishplaats in de Tour. Hoe dan ook, de beelden van Gery Verlinden uitgeput in de ambulance maakten destijds veel indruk op volgers en supporters. ,,Criquielion was er die dag ook bij, en ik zeg: ik ga hem volgen. Het was een berg waar je op het laatst op de force omhoog kon, maar als je daar niet goed in bent, moet je het ook niet doen. Ik deed het toch. Zo ben ik efkes in een ambulance terechtgekomen. Ik was blij dat ik erin lag, want zo was ik tenminste van al dat volk om me heen verlost.’’

Verlinden vertelt het met het plezier van de liefhebber. Hij won in 1980 zijn grootste wedstrijd na het Belgisch kampioenschap, het kampioenschap van Zürich, maar daar praat hij niet over. Liever begint hij over Koolskamp Koers, waar hij in 1982 de zege pakte. ,,Dat was mijn koers. Daar was een ambiance, ongelooflijk zo veel volk.’’

Natuurlijk was niet alles prachtig in Verlindens loopbaan. Met ploegleider Lomme Driessensheb ik nooit goed overeen gekomen. Als je geen prijs reed deed Lomme net alsof je van een andere ploeg was. Ik moest er van hem in de Ronde van Duitsland voor zorgen dat Thurau niet zou winnen, maar daar rijd ik geen koers voor.’’ Op het laatst reed Verlinden bij Fangio in een ploeg die niet al te best georganiseerd was. ,,Dat was een catastroof. In de Tour reden we zelfs met de verkeerde rugnummers op. Ik heb met het nummer van Patrick Versluijs gereden.’’

Maar daar gaat het Verlinden niet om, als hij terugkijkt. Dan staat het enthousiasme voorop en komt het ook weer boven. ,,Die dag in Meulebeke. Ze reden allemaal op mijn wiel. In de laatste toer ging er zeven, acht man weg, zonder mij. Maar vooraan stonden ze ineens stil, ze waren aan het discuteren. Op het laatst kwamen we erbij en ben ik weggereden, tussen de auto’s. Ik had ze allemaal te pakken. Daar heb ik nu nóg het meeste plezier van.’’

Uit Wielerrevue