Toine van den Bunder, Schicht
Toine van den Bunder is na ‘een economische vlucht’ uit Zeeuw-Vlaanderen en jaren van stilte, weer onder de wielermensen. In de jaren zeventig was ‘de Schicht van IJzendijke’ misschien wel de meest getalenteerde van allemaal. Bij de profs werd het niks.
Het was op een grootse wielerreünie in oktober dit jaar, in Axel, Zeeuws-Vlaanderen. Oud-renners stonden daar tegen elkaar op te bieden. Wie de meeste wedstrijden had gewonnen. De Zeeuwse sprinter Wim Evertse begon ermee, blijkens een verslag van de avond, in BN/DeStem. Snelle Wim won er 44. Iemand vroeg aan Gaby Minneboo hoe vaak hij dan eerste was geweest. Minneboo, minzaam glimlachend: 150. En toen kwam Toine van den Bunder, oorspronkelijk uit IJzendijke. Kalmpjes. 198.
Toine van den Bunder, in de jaren zeventig misschien wel dé amateur van Nederland, vooral in de eerste maanden van het jaar. Tot en met mei was Van den Bunder - klein van stuk - groots in de koersen die hij wilde winnen. Dat moest dan wel in een solo, want ‘als we met een kopgroepje van vijf gingen sprinten, wist ik dat ik vierde zou worden. Of vijfde.’
Tegenwoordig woont Van den Bunder in Valkenburg en fietst hij niet meer zo veel. Ja, vorig jaar nog Alpe d’Huez op, omdat hij daar in de buurt op vakantie was en het er toch eens van moest komen. Het lukte wel, maar vraag niet hoe. ‘Ik heb wel honderd keer gedacht, ‘wat ben ik hier aan het doen, ik kan beter omdraaien.’ Het was niet de bedoeling dat ik zo veel zou afzien.’
Alles bij elkaar fietst Van den Bunder nog een kilometer of vijfhonderd per jaar, het mag geen naam hebben. Maar hij doet dat wel in een streek waar nog heel wat oude bandsporen van hem liggen. Drie keer won hij de Hel van het Mergelland. ‘Ik kan me niet zo veel van mijn koersen herinneren, maar de Hel van het Mergelland weet ik nog goed. Een mooie wedstrijd om te winnen. De eerste keer was ik weg met Bert Pronk. Die heb ik gelost. De tweede keer zat Bert Oosterbosch in mijn wiel. Ik ben wel twintig keer gedemarreerd, maar Oosterbosch kwam steeds terug en nam daarna geen kop. Toen heb ik hem in de sprint verslagen. Ik was niet kwaad op hem, want ik was gewend dat ze niet met me meewerkten. Vaak werd de hele wedstrijd afgestemd op mijn wiel. Mijn derde Hel van het Mergelland was ik weer alleen voorop, vijftig kilometer solo. Ik ben vertrokken op een moment dat ik me goed voelde. Dat moet ook wel, want de eerste honderd meter voorsprong zijn altijd het moeilijkste. Als ik die eenmaal had, zagen ze me niet gauw meer terug.’
Straffe verhalen, maar wie die tijd meemaakte weet dat er niks wordt overdreven. Toine van den Bunder won vijf keer de Belgische klassieker Gent-Staden. Vijf. ‘Het parkoers lag me goed, met een paar klimmetjes in de finale. Daar kon ik altijd wegrijden. Dan liet ik mannen als Michel Pollentier en Freddy Maertens achter me.’
In criteriums had Van den Bunder perioden dat hij niet te kloppen was. Altijd rijdend op een vast verzet, want zonder versnellingsapparaten is een fiets lichter. ‘En ik schakelde in criteriums toch nooit, het was altijd 53 x 15. Zo heb ik een keer dertien wedstrijden op een rij gewonnen, en ook eens 38 in een jaar. Volgens mij is dat nog nooit verbeterd.’
Toine van den Bunder schreef ook etappes in Olympia’s Ronde en klassiekers als de Ronde van Zuid-Holland op zijn naam. Over Zuid-Holland 1978 stond zei hij dan in de krant: ‘Geen moment was ik bang geklopt te worden.’ Nu zegt hij; ‘Ik heb die dag gewonnen van Henk Mutsaars, omdat hij veel te veel kleren aan had. Ik reed altijd in korte mouwtjes, ik kon goed tegen de kou. Omdat ik werkte in de bouw, was ik gehard.’
Dat hard zijn, voor zichzelf dan, zat er al vroeg in. Het jongetje Toine zou wielrenner worden en beroemd. Dat had hij zo besloten. Dus op zijn dertiende ging hij eens, op de fiets, kijken naar de Ronde van Aardenburg. ‘Ik ben toen na de start stiekem meegeglipt. Ik ging het peloton voorbij en kwam voorop met twee andere renners. Totdat de speaker omriep dat die jongen in die gewone kleren moest afstappen. Maar ik had toen al wel goed getraind hoor. Ik wist dat je er veel voor moest doen, wielrennen, en heb dat ook altijd gedaan.’
Trainen dat de stukken eraf vliegen, hard zijn, nog een voorbeeldje. Van den Bunder trekt de broek strak over zijn rechterbovenbeen. Het is nog altijd dunner dan de linkerkant. ‘Dat heb ik overgehouden aan een val op de Kemmelberg. Ik ben daar op mijn knie terechtgekomen, die nooit meer helemaal goed is geworden. Dus dan ga je op een andere manier trappen, je gaat die knie ontzien. De dag van die valpartij ben ik trouwens nog derde geworden. Op één been.’
De knieblessure was er ook de oorzaak van dat Van den Bunder niet aan de start kwam op de Olympische Spelen in Montreal, 1976. Het gewricht deed weer zeer. Aan Olympische Spelen en andere kampioenschappen, heeft Van den Bunder niet veel goede herinneringen. Nooit werd hij Nederlands kampioen, laat staan wereldkampioen. ‘Ik heb zo veel gewonnen, dat je op den duur een beetje verzadigd raakt. Op het laatst zou je dertig overwinningen omruilen voor één Nederlands kampioenschap of een wereldtitel.’
Van den Bunder had het graag meegemaakt, zoals hij ook wilde meemaken hoe het is om beroepswielrenner te zijn. In mei 1978 stapte hij over naar de profs, als eenling gesponsord door Gazelle. Het was zijn wereld niet, de wielrennerij om den brode. ‘Ik was altijd al een beetje een buitenbeentje, want als Zeeuwsvlaming ben je geen Belg en geen Zeeuw. Toen ik prof werd, werd ik tegengehouden door de anderen. De Raleighs van Jan Raas reden op mijn wiel, ze wilden me er niet bij hebben en ik kwam niet in de slag. Toch heb ik er als prof nog twee gewonnen, in Eeklo en Sint Niklaas. Ik was een beetje te bescheiden denk ik, om goed in die wereld mee te draaien. En ik reed altijd naturel, op een sinaasappel en een banaan. Ik zag op dopinggebied dingen die ik niet wilde. Maar als je er zo naturel tussenspringt, word je wel bestolen. De eerste dag kun je nog mee, de tweede wordt het al moeilijker en de derde kom je er niet meer aan te pas. Dan kwamen de zware jongens naar voren die wel wat durfden. Achteraf denk ik wel eens, ik had het toch en keer moeten proberen. Je kunt ook te braaf zijn.’
Hoe dan ook, de harde, soms gemene profwielrennerij was aan Van den Bunder niet besteed. Hij was er al eerder achtergekomen dat het er niet altijd fair aan toe gaat tussen de wielen. Als amateur reed hij eerst bij Trico Noble. Van die sponsor moest hij naar een buitenlandse wedstrijd, maar dat zag hij niet zitten. ‘Ik was het liefs thuis.’ De sponsor ging niet akkoord, de onmin leidde ertoe dat Van den Bunder een jaar in het clubshirt van Theo Middelkamp reed. ‘Won ik er even goed nog dertig.’
Ondanks de verhalen die Trico Noble over het weerspannige karakter van Van den Bunder verspreidde in de wielerwereld, kon hij na zijn sponsorloze jaar aan de slag bij ploegleider Ben van Erp, eerst in de ploeg Hebro Flandria, later bij Soka Gazelle, daarna gewoon Gazelle. Van den Bunder en Gazelle bleven elkaar trouw tot het eind.
Het eind kwam onverwacht snel. Van den Bunder was 26 toen hij na zijn halve profjaar besloot te stoppen. ‘Stoppen was een bevrijding. Het leven zonder wielrennen was leuker.’
Van den Bunder vertelt het allemaal in zijn huis in Valkenburg, gelegen aan de route van de Amstel Gold Race. Zijn vrouw Carla zit erbij, kleinzoon Milan is op bezoek en Van den Bunder zit op zijn gemak. Dat was een jaar of acht geleden nog anders. De Schicht van IJzendijke was schichtig geworden, van publiciteit moest hij even niks hebben. Dat had alles te maken met het faillissement van het bouwbedrijf dat hij na zijn fietsloopbaan in Zeeuws-Vlaanderen op poten zette. ‘Een faillissement is een afgang. We zijn daarna min of meer gevlucht uit Zeeland, ook om de schuldeisers te ontlopen. Ik zeg altijd, ik ben een economisch vluchteling die naar Limburg is gekomen. Na het faillissement heb ik bij een baas gewerkt en op een houtje gebeten. Ik mocht zeven jaar geen eigen bedrijf meer beginnen omdat de Economische Controle Dienst al die tijd onderzocht of ik iets verkeerd had gedaan. Maar ze hebben vastgesteld dat ik niks deed wat niet mocht. Het is een moeilijke tijd geweest, toch heb ik er nooit van wakker gelegen. Ik denk wel dat iemand anders er misschien aan onderdoor was gegaan. Dat was mij misschien ook overkomen als ik nooit wielrenner was geweest.’
Kleinzoon Milan vraagt ondertussen wat aandacht. Hij deelt snoep uit. De twee andere kleinkinderen, Verona en Lorena zijn er niet bij op deze doordeweekse dag. De zoons Roger en Leon ook niet. ‘Roger is genoemd naar Roger Devlaeminck en Leon naar Leon Strobbe uit Lamsweerde, een amateur die destijds op training is verongelukt. Ze wonen alle twee hier in de buurt. We hebben goed contact. En binnenkort zijn we 35 jaar getrouwd. Ook een topprestatie’, zegt Van den Bunder glunderend. Echtgenote Carla ontkent niks.
Het nieuwe bouwbedrijf dat Van den Bunder opzette, draait goed. Zijn huis staat op een strategische plek aan de rand van Valkenburg. ‘Het is hier altijd druk op straat en er komen veel bekende Nederlanders langs’, zegt Carla. En af en toe een oude kennis van vroeger. Van den Bunder keek op een recente dag uit het raam, zag hij daar ineens Ben van Erp. Dus hij naar de voordeur en roepen. Hebben ze nog even staan praten.
Aan de muur van de woonkamer hangt een televisie, als een aquarium zo groot. Daarboven een even riante foto van Van den Bunder in een zilvergrijze sportwagen, een cabriolet. Het lijkt wel een Porsche, maar dat is het niet. Het is een Ferrari.
Toen het eerder op de middag over het faillissement ging, was Van den Bunders voorliefde voor auto’s al even aan de orde gekomen. ‘Ik had in die tijd te weinig financiële reserves en in de goeie jaren kocht ik te veel dure wagens. Je ziet wel, niks geleerd.’
Carla moet er niet veel van hebben, de Ferrari. Ze gaat het liefst niet mee als haar man erin rijdt. ‘Dan kom je ergens aan, staan er meteen dertig man naar je te kijken.’ Van den Bunder hoort het aan en seint met zijn blik. Nee, Carla vindt er echt niks aan, maar ik wel.
Dus gaan we even kijken naar de trots van de Schicht, in een garage een stukje verderop. Onderweg wijst Van den Bunder naar het standbeeld op het Valkenburgse Berkelplein, dat hij vanuit zijn woonkamer kan zien. Het stelt een wielrenner voor. ‘Ik dacht eerst dat het een beeld van Jan Raas was, maar dat schijnt niet zo te zijn. Gelukkig maar, anders zat ik nou nóg tegen het achterwerk van Raas aan te kijken.’
In de garage blijken ook twee Mercedessen te staan en een Massini-racefiets. ‘Er was hier een tijdje geleden een ex-wielrenner, ik zal niet zeggen wie, die keek alleen maar naar die fiets. Over de auto’s zei hij niks. Gek is dat hé? Soms is het net alsof mensen liever hebben dat het niet goed me je gaat.’
Dan opent Van den Bunder het portier van de Ferrari, een 360 Spider F1. Er klinkt meteen een sonoor geluidje. ‘Dat is het hydraulische systeem van de versnelling. Er zit een formule-1-systeem in.’ Van den Bunder start de motor van zijn glimmende pronkstuk. Wat een macht. Hiermee is driehonderd kilometer per uur goed te doen. Door de doorzichtige achterklep is het innerlijk van de wagen te zien, alles piekfijn gepoetst. Als een jongetje zo blij, staat Toine van den Bunder er bij.
Uit Wielerrevue