Roger Rosiers, ongelooflijk!
Om acht uur ’s avonds komt Roger Rosiers binnenvallen in zijn woning in Pulle, bij Grobbendonk. Hij is net klaar met zijn werk vandaag, als zelfstandig handelaar in schoonmaakspullen. Twee minuten later, zonder veel aansporing, meteen van acquit, is dat werk ver weg. Rosiers bevindt zich in één klap opnieuw in de volle finale van Parijs-Roubaix 1971. ,,Ik heb die dag 53 x 13 gereden, 35 kilometer alleen, ongelooflijk!’’
Een bezoek aan Roger Rosiers (58) en zijn vrouw Maria Verhaegen is een levendig feestje. De nootjes en de kazen komen op tafel, goede verhalen vermalen de tijd. Maar eerst een misverstand uit de weg ruimen. Het is Rosiers, met een s in het midden. Zo dient de naam ook uitgesproken, ook al zegt bijna iedereen bijna altijd Rogiers met een g.
Rosiers, Roger, was beroepsrenner van 1967 tot en met 1980, en steeds in goede ploegen. Behalve dan zijn eerste, Mann-Grundig, die stelde niet zo veel voor. Maar daarna, BIC (1970, 1971, 1972, 1973) Molteni (1974), Super Ser (1975 en 1976), Frisol (1977), Peugeot (1978) en La Redoute-Motobecane (1979, 1980), dat waren toch serieuze equipes. Logisch ook, want Rosiers was een begenadigd coureur, van jongs af aan. Bij de nieuwelingen won hij vijftig koersen, bij de junioren 27 en bij de liefhebbers 34. Op zijn negentiende mocht hij de overstap naar de profs al maken, bij hoge uitzondering. ,,Ik ben twee jaar - zonder dikke nek - de beste liefhebber van België geweest. Van de vijf klassiekers die er toen waren in een jaar, won ik er drie. Een keer was ik derde en één keer brak ik mijn sleutelbeen. Vroeger werd de Schaal Sels altijd gereden door liefhebbers en profs. Als liefhebber sprong ik weg op twee kilometer voor de meet. Er zat honderd man achter mij aan, maar ik bleef vooruit. Ik was toen achttien.’’
De Schaal Sels, dat betekent kasseien, Rosiers’ favoriete terrein, altijd geweest. Zijn gewicht maakte hem uitermate geschikt voor het dokkeren over de ruwe stenen. Tachtig kilo, dat blijft kleven aan de keien, dat springt niet over de weg. En bij zijn geboorteplaats Vremde liggen genoeg kasseien om er al jong aan te kunnen wennen.
Maar nu, in 2005, is Rosiers net terug van de verkoop van ‘moppen en wappen, antivuilmatten, allerlei borstels.’ Samen met zijn vrouw en een vertegenwoordiger drijft hij die handel. Er is normaal geen tijd om in het verleden te leven, en ook niet altijd om over de koers te klappen, maar vanavond wel. ,,Kijk hier’, zegt Rosiers, als hij wijst op een krant die onder handbereik in de kast blijkt te liggen, bij alle plakboeken. ‘Zoals Rosiers wint, winnen alleen de grote kampioenen.’ ‘Merckx muselé (opgepeuzeld) par Rosiers.’ Parijs-Roubaix 1971 was Rosiers’ jour de gloire, en de kranten deden er in stevige koppen verslag van. Het was dan ook niet gering, wat de renner daar liet zien.
,,In de kopgroep was ik al drie keer gevallen, en drie keer teruggekomen, toen ik lek reed. Op dat moment kreeg ik mentaal een tik. Ik dacht dat de koers voor mij gedaan was. Het bestaat niet dat ik nu nog eens terugkom, dacht ik. Maar mijn ploegleider, Maurice de Muèr, zei tegen mij: ‘de koers begint nu pas.’ Ik ben gaan achtervolgen en ben ze toen allemaal voorbij gereden, de hele kopgroep. Zij reden op de paadjes aan de zijkant, en ik midden over de kasseien. Alleen Eric de Vlaeminck was nog weg. Hem heb ik ook bijgehaald en gelost. En kijk eens wie er allemaal in die kopgroep zaten: Merckx, Van Springel, Basso, Leman, Roger de Vlaeminck, Marino Basso, Jan Janssen, Gimondi. Dat is werkelijk een select gezelschap hé? De tweede, Van Springel, kwam binnen op één minuut 26. Ongelooflijk!’’
Jan Janssen was dat jaar ploegmaat van Rosiers, bij BIC. ,,Via Jan ben ik in die ploeg gekomen. Hij vond het geen probleem dat ik hem voorbij reed in Parijs-Roubaix. Hij wist dat ik sterk was. In de Ronde van België, een paar dagen voor Parijs-Roubaix, had ik dat al laten zien. Jos Huijsmans was een minuut vooruit. Ik ging er achteraan met zijn ploegmaat Eddy Merckx in mijn wiel. Ik wist dat Eddy zou gaan springen zodra ik Huijsmans te pakken had. Dat gebeurde ook, maar voordat Merckx terug in het zadel zat, reed ik alweer op kop. Ongelooflijk! Jan Wauters, de reporter, zei daarna tegen mijn vrouw: ‘Roger wint zondag Parijs-Roubaix, en niemand anders’.’’
,,Ik heb hem nog weggebracht naar de trein in Brussel’’, herinnert echtgenote Maria zich, en haar man Roger springt recht om zijn woorden kracht bij te zetten. ,,Ik had nog nooit met gene trein geweest!’’ Een taxi pakken na aankomst in Parijs gaf dan ook wat problemen. Niemand wilde Rosiers meenemen, met zijn fiets. ,,Ik heb daar anderhalf uur gestaan. Ze reden mij allemaal voorbij!’’ Roger spreidt de armen in ongeloof, Maria lacht.
Parijs-Roubaix zal vanzelf een terugkerend thema blijven in een avond vol verhalen. Het was verreweg de grootste zege van Rosiers. Hij won ook de Brabantse Pijl, de Ronde van Luxemburg, een etappe in de Vuelta. In 1970 reed hij in alle klassiekers bij de eerste tien, behalve in de Ronde van Lombardije. Maar over zulke dingen praat niemand meer. Die ene keer één in Roubaix is alles overheersend. ,,Daaraan kun je zien hoe belangrijk winnen is.’’
De buitenwacht komt er steeds op terug. ‘Gij bent toch die ene die Parijs-Roubaix heeft gewonnen?’ Rosiers zal het zelden ontkennen, maar ‘ik loop er ook niet mee te koop.’ En er waren ook nog andere dingen in veertien jaar beroepswielrennen. Vriendschappen, belevenissen, herinneringen.
Luís Ocaña was een goede vriend van de Rosiers. ,,Luís was mijn kameraad, hij is vaak hier geweest. Ik heb mijn carrière gekoppeld aan Luís. Hij heeft altijd het werk geapprecieerd dat ik voor hem deed in de Ronde van Spanje. In de vlakke ritten reed ik 150 kilometer in de wind met Luís in mijn wiel. Hij begreep niet dat ik dat kon.’’
,,Ik heb negen of acht keer de Vuelta gereden, misschien wel tien ook. En altijd uitgereden. De Tour niet. Ik ben drie keer naar de Tour geweest, twee keer tegen mijn goesting. Ik kon niet bergop, ik dierf niet bergaf en ik kon niet tegen de warmte. Dan moet je niet in de Tour zijn.’’
,,Toen Luís dood was belde Maria mij op. ‘Een heel goeie kameraad van ons heeft zelfmoord gepleegd’, zei ze. Ik wist direct: dat kan alleen Ocaña zijn. Hij was de enige die ertoe in staat was. Als ik hem moet omschrijven is het: correct, maar met Spaanse furie. We zaten eens in een ronde, en Luís had slechte benen. Hij begon er met spelden in te prikken tot het bloed eruit liep! Ongelooflijk.’’
Zonder vals sentiment vertelt Rosiers over Ocaña en over andere vriendschappen die hij meemaakte in het peloton. Met zijn trainingsmaten uit de buurt bij voorbeeld. ,,Met Herman Van Springel ben ik trainend misschien wel vijf keer de wereld rond gereden, maar in de koers telde dat niet. Eén keer was ik met hem vooruit in de Waalse Pijl. Hij wilde winnen en bood een bedrag. Ik zeg: ‘dat krijg jij van mij ook, maar ik win.’ We konden het niet eens worden en werden ingelopen. De volgende morgen hadden we gewoon weer trainingsafspraak om half negen op de brug bij Grobbendonk. We hebben niet lang meer over de koers gesproken.’’
Zo praat Rosiers moeiteloos uren vol, met mooie verhalen over mooie menselijke geschiedenissen. Van tijd tot tijd veert hij op. Zijn vrouw Maria lacht met hem mee, valt hem bij en vult hem aan. ,,De Ronde van Aragon hedde ook nog gewonnen jong’’, zegt ze dan bij voorbeeld. Maria en Roger, bijna waren ze niet getrouwd, vertelt Roger. In zijn jonge jaren deed hij Latijn en Grieks. ,,Ik wou pastoor worden’’, zegt hij half serieus. ,,Dan was ik nonneke geworden’’, reageert Maria prompt, en ze lacht opnieuw. Dat doet ze ook als Roger een aap nadoet. Een aap? Ja, dat komt zo, het gesprek gaat ineens over Joaquim Agostinho. Dat ‘Ago’ in de oorlog in Mozambique had gevochten. Dat hij kon fietsen als een machine, sterk als ijzer. Rosiers lepelt vrij bekende gegevens op over zijn overleden oud-collega. Maar dan vertelt hij ineens groot nieuws. Wisten wij dat niet!? Nee, wij wisten het niet, maar Rosiers zegt het. ,,Agostinho had een aap, die droeg zijn valies!’’