René Pijnen: ‘De sterkste zijn is zeker mooi’
‘Zeker is dat mooi’, zegt René Pijnen. Hij komt er zelf niet mee op de proppen, maar als het er dan tóch over gaat, spreekt hij niet tegen dat hij het dikwijls was: de sterkste van het hele pak. Zéker is het mooi, als je ziet dat de anderen bleek worden. Dat ze minder scherp op het wiel gaan rijden en de aflossingen minder krachtig uitvoeren. Op zulke momenten gaf Pijnen even extra gas. Hij won - tussen 1969 en 1987 - 72 zesdaagsen.
René Pijnen kan wat afstandelijk overkomen. In zijn eigen hotel in Bergen op Zoom wordt hij door zijn eigen personeel aangesproken met ‘meneer Pijnen, wilt u ook nog koffie?’ Op de talloze foto’s van zijn actieve wielerloopbaan staat Pijnen met een serieus gezicht, tegen het norse aan, in de plooi. Maar praat eens met hem over de Olympische Spelen van 1968 in Mexico, waar hij met Joop Zoetemelk, Fedor den Hertog en Jan Krekels goud won op de ploegentijdrit. Dan komen er sprekende details van die belevenis op tafel, raakt het verhaal even in een stroomversnelling en zegt Pijnen met plezier: ,,Je hoefde maar aan de poort van het Olympisch dorp te gaan staan. Er kwamen daar wagens aangereden met mooie meiden. Je kon instappen waar je wou, je zat altijd goed. Jan Krekels en ik gingen mee met twee heel enthousiaste dames in een grote gele wagen. We reden naar een ongelooflijk grote villa van een hoge diplomaat. Je hoefde maar op een knop te drukken en de poort ging open. Aan de muur hingen grote schilderijen. We gingen aan tafel, gedekt met kristallen glazen en het duurste bestek. Dat maakte grote indruk.’’
Maar waar Jan Krekels nog een pasfoto van zijn ‘lief in Mexico’ in zijn portemonnee heeft, daar doet Pijnen het met de herinnering. ,,Heeft Jan die foto nog? Dat is wel een beetje gek.’’
Met Krekels en anderen reed Pijnen op de weg, buiten. Dat gedeelte van zijn loopbaan is altijd onderbelicht gebleven, maar hij kón het wel. Hennie Kuiper spreekt nog altijd met bewondering over die dag in de Ronde van Zwitserland in 1976. De rit eindigde op de Gaflei, een niet zo beroemde, maar supersteile berg. Pijnen reed een gat van minuten dicht voor Kuiper, die de etappe en uiteindelijk ook ronde won. Pijnen was in toen dienst bij TI Raleigh, net als Kuiper. ,,Hennie wilde me meenemen naar de Tour, maar dat was niks voor mij. Op de weg was toch ook nauwelijks iets te verdienen joh.’’
Niks te verdienen, maar wel wat te winnen. Zeg maar eens tegen Pijnen dat hij drie etappes heeft gewonnen in de Ronde van Spanje en zijn correctie laat geen halve tel op zich wachten: ,,Vier! En achttien leiderstruien.’’ Het waren er twintig.
En toch koos Pijnen uiteindelijk voor de baan. De weg, dat was niet alleen minder lucratief, het was ook saai. Lange etappes, Pijnen verveelde zich rot. Met het gewriemel op de baan daarentegen, had hij geen enkele moeite. Felle jachten, secuur sturen, overzicht behouden, Pijnen kon het. ,,Van de eerste zeven koppels wist ik altijd precies op hoeveel ronden ze stonden. Dat is een gegeven dat een leider moet hebben. Peter Post en Patrick Sercu hadden het ook’’, zegt Pijnen, waarmee hij in één zin de twee grote leiders uit de zesdaagsengeschiedenis opnoemt. Sercu is nog altijd recordhouder met 88 zesdaagsen-overwinningen, Peter Post heeft er 65. Pijnen staat er tussenin. Ook hij was een onbetwist leider. Dat hield in: ,,Correct zijn, je talen spreken, de directies van de zesdaagsen kennen. Je staat tussen de renners en de directies in. Als een directie op zaterdagavond geen saaie wedstrijd wil omdat het huis helemaal vol zit, dan moet je zorgen voor spektakel. En je probeert te voorkomen dat een kleine ploeg wint. Daar moet je op de fiets soms iets extra’s voor doen; zelf zo’n kleine ploeg gaan halen. Dat kost kracht natuurlijk, dus moet je ook sterk zijn. Je moet dingen recht kunnen zetten en af kunnen maken. En geen lulverhalen ophangen waar je zelf beter van wordt.’’
Pijnen reed zijn zesdaagsen in de jaren dat er ’s middags om twaalf uur gestart werd en de jacht goed tot een uur of vier ’s nachts kon duren. Gemiddeld vijftien keer per jaar kwam hij aan de start, met uiteenlopende koppelgenoten als Jan Janssen, Peter Post, Marino Basso, Rinie Wagtmans, Gerben Karstens, Francesco Moser, Felice Gimondi, Roger De Vlaeminck, Leo Duyndam, Gerard Koel, Roy Schuiten, Günther Haritz, Dietrich Thurau, Freddy Maertens, Gerrie Knetemann, Jan Raas, Adje Wijnands, Moreno Argentin, Giuseppe Saronni, Pelle Ruiz Cabestany, Leo van Vliet, Teun van Vliet en Jelle Nijdam reed hij in de rondte. Altijd maar binnen. Slapen? In een ‘kabientje’ bij de baan. Het normale leven? Volledig uit zicht. ,,Roger de Vlaeminck vroeg me een keer in de zesdaagse van Milaan: ‘Zouden er buiten nog bomen groeien?’ Je moet ook geestelijk heel sterk zijn om dit werk aan te kunnen.’’ Pijnen had er geen moeite mee. ,,Ik was stabiel en sliep overal goed. Ik kon me goed afsluiten van het normale leven. Misschien heb ik dat al geleerd op kostschool, bij de broeders van Sainte Marie in Huijbergen. Daar was ik intern en zat ik dus ook al opgesloten.’’
Veel wegrenners konden niet goed uit de voeten met het binnen koersen.
Jan Raas had sowieso een hekel aan de baan, al was er nog zoveel te verdienen. ,,Hij werd er nerveus van en kreeg heimwee.’’ Anderen deden het misschien wel graag, maar waren niet altijd sterk genoeg. Pijnen paste zich dan aan. ,,Als je ze goed begeleidt kun je met een wegrenner ook een zesdaagse winnen. Je moet proberen voorzichtig met ze om te gaan; zuinig rijden en effectief.’’
Als onbetwiste baas van het spul hield Pijnen alle belangen een beetje in de gaten. Wat niet wil zeggen dat alles altijd naar zijn wens verliep. ,,De andere renners zijn ook geen jojo’s, ze rijden ook voor hun geld.’’ Dus als het eens gebeurde dat na een koppelkoers de jacht nog een paar uur doorging omdat een paar renners dat in hun bolle kop hadden gehaald, dan was dat zo. Zoals een keer in Antwerpen. ,,Daar hebben we eens gehad dat het de hele nacht doorging, totdat Ferdinand Bracke een emmer water pakte en over de baan kiepte. Toen was het afgelopen.’’
En wat als renners, geïrriteerd als een mens kan raken van zes dagen rondjes fietsen in een hal, wat als ze met elkaar op de vuist gingen? ,,Dan lieten we ze meestal gewoon doen. Wolfgang Schultze bij voorbeeld was een echte straatvechter, snel gepikeerd. Hij kreeg het een keer aan de stok met Rinie Wagtmans, in Amsterdam. Het gevecht eindigde onbeslist.’’
Alsof de duvel ermee speelt, belt Rinie Wagtmans zelf op het moment dat we in Bergen op Zoom met Pijnen zitten te praten, naar fotograaf Henk Theuns. Theuns moet van Wagtmans aan Pijnen een korte boodschap overbrengen. ,,Jos van der Vleuten, Parijs-Nice.’’
Pijnen gaat niet verklappen wat dat inhoudt, zegt hij meteen.
Jos van der Vleuten werd in zijn eerste Parijs-Nice aardig gedwarsboomd door Jan Janssen, die niet wilde hebben dat de jonge getalenteerde renner meteen met prijzen aan de haal ging. Zouden Pijnen en Wagtmans het onlangs gehad hebben over ‘kleintjes’ die door ‘groten’ in toom gehouden werden? We kunnen alleen maar gokken, zoals dat bij dopingzaken vaak het geval is. Ook over dit onderwerp heeft Pijnen geen uitsluitsel, maar hij zégt er wel iets over.
Met betrekking tot Leo Duyndam, veelvuldig koppelgenoot, laat Pijnen noteren ,,Leo kon niet tegen dat opgesloten zitten in de zesdaagse. Hij begon te zeuren dat hij liever buiten bloemen ging plukken. Je moet ook niet vergeten dat het een moeilijk wereldje is, de zesdaagsen, met veel haat en jaloezie. De verleiding kan groot zijn. Leo kon niet meer naturel blijven. Hij nam een pilletje voor dit en een pilletje voor dat. Dat is het begin van het einde.’’
En over Johan Museeuw, vier jaar geschorst wegens betrokkenheid bij een dopingaffaire: ,,Voor de echte liefhebbers blijft Museeuw op zijn voetstuk staan. Als je echt verstand van fietsen hebt, weet je dat hij zich geweldig gesoigneerd heeft. Hij was een trainingsdier op de fiets en verzorgde daarnaast zijn lichaam als geen ander. Iedere duursporter probeert zijn grenzen te verleggen. Het gaat erom dat je dat op een verantwoorde, gezonde manier doet. Als dát lukt, ben je een goede professional.’’