Popke Oosterhof had alles
Popke Oosterhof had alles. Klimmen, tijdrijden, sprinten, snel herstellen van de vermoeienissen, wat kan een wielrenner zich nog meer wensen? Dat hij niet onder een vrachtwagen belandt.Het is een dinsdagochtend, de zon schijnt in Friesland. Popke Oosterhof (61) ontvangt in zijn loonwerkershuisje in Ter Idzard. Een loonwerkershuisje met een moderne aanbouw erachter, maar dan wel zo dat het aanzicht van het vroegere pandje intact is gebleven. Dat moest ook wel, want het is een rijksmonument.
Oosterhof gaat voor, er klinkt klassieke muziek. Op een vensterbank staan twee foto’s van een jonge, vermoeide wielrenner. Popke zelf. Elke foto is voorzien van een korte tekst. ‘Afzien is maar tijdelijk’ en ‘Pijn is fijn.’
Afzien, pijn, de Oosterhof van nu doet er niet aan denken. Een man in bonus, dat lijkt er meer op. Welgesteld, goed gesoigneerd, slank en afgetraind. Dat komt door die tienduizend kilometer natuurlijk, die hij jaarlijks fietst. Omroep Drenthe filmde Oosterhof begin dit jaar, ook fietsend. Zijn tred lijkt op die beelden wat meer afgemeten dan de soepele pedaalslag van vroeger, dat wel.
Vroeger, als kind, kwam Popke vaak in het loonwerkershuisje, familiebezit sinds 1860. Tussen zijn ouders ging het niet zo goed en in het huisje woonde tante Aaltje. Tante Aaltje werkte bij de heerboer om de hoek. ‘Ze was mij tweede moeder.’
Het waren geen tijden van overvloed, het was eenvoud troef. ‘We hebben nooit honger geleden, maar aten soms wel brood zonder beleg. Een boterham tevredenheid noemden we dat, met boter en suiker. Ik vind het nog steeds lekker. We hadden weinig afleiding. Er was geen telefoon, geen televisie, geen computer, niks.’
Dus was het vrijwel elke avond om negen uur naar bed en om zes uur er weer uit. Vroeg uit de veren, dat leerde Oosterhof van zijn tante Aaltje. Hij doet het nog steeds. ‘Als je ’s morgens vroeg bent, ben je de hele dag vroeg.’ Voor lessen op wielergebied had Popke Oosterhof iemand anders. ‘Ome Joop.’ Zo noemt hij de bondscoach in de jaren zestig, zeventig, Joop Middelink. Een Amsterdammer met veel invloed.
De echte coureurs komen van het platteland, zei ome Joop altijd. Dat was een mooie opsteker voor Drentse Popke. Samen met ome Joop stippelde Oosterhof zijn carrière uit. Dat wil zeggen, Middelink verordonneerde het een en ander en Oosterhof was het er mee eens. ‘Ik kon prof worden bij Mars Flandria, maar Middelink vond het beter te wachten tot na de Olympische Spelen van 1972.’
Prof, Oosterhof had er de kwaliteiten voor. Fysiek toch zeker. Sterke voorbeelden heeft hij daar van. Een hartslag in rust van rond de dertig. In het rondewerk werd hij vaak beter met de dag, waar anderen op hun knieën kwamen te zitten. Een lang dun lijf, 130 pond schoon aan de haak. En dan die longinhoud, met dank aan een kippenborstje. ‘We – Jan Aling en ik – kwamen bij dokter Ab Rozijn om ons te laten testen. Daar moest je blazen in een apparaat. Rozijn geloofde zijn ogen niet. 9000 cc.’
Met Jan Aling, tempobeul uit de buurt van Eelde, legde Oosterhof heel wat trainingskilometers af. Samen achter een brommer of naast elkaar, en dan steeds proberen een half wieltje voor te blijven, niet afgeven. ‘Aling was beresterk, met een lijf zo groot dat ik er wel in kon wonen.’
Dat kilometers maken was iets van die tijd. Oosterhof ging gerust eens bij Middelink in Amsterdam op bezoek. Vanuit zijn woonplaats Eelde was dat met een omweggetje zo’n 250 kilometer. Blijven slapen en dan de volgende dag weer terug. ‘Ome Joop’ had dan soms nog wel een vraagje voor de jonge renner. ‘Train je wel genoeg jongen?’
De Eindhovense journalist Frits van Griensven plaatste kanttekeningen bij die aanpak van rijen, rijen rijen. Van Griensven fungeerde in 1970 als ploegleider van de Nederlandse amateurs in de Ronde van Oostenrijk en wist hoe het kwam dat ze niet wonnen. ‘Ze waren gewoonweg moe. Ze hadden te veel grote wedstrijden achter elkaar gereden. Eerst de Ronde van België, toen Olympia’s Ronde, een serie zware klassiekers en criteria en wat Oosterhof en Aling betreft nog een paar wedstrijden in Denemarken waar ze even vlug met de auto naartoe zijn geweest. Het is gekkenwerk zoals er met onze beste amateurs wordt omgesprongen.’
Oosterhof kan het er nu mee eens zijn. ‘Ik heb altijd te lang en te hard getraind.’ Hij voegt er nog een feitje aan toe. ‘We reden soms twee criteria op een dag; ’s middags in Meppel en ’s avonds in ’t Harde. De KNWU heeft dat op een gegeven moment verboden. Terecht.’
Iets meer rust kwam de resultaten ten goede, merkte Oosterhof in de Ronde van Mexico van 1968. De Mexicaanse rondrit werd gehouden aan het eind van het jaar, november. Het Nederlandse wegseizoen zat er dan al twee maanden op. ‘Ik steeg daar boven mezelf uit. De weken voor het vertrek had ik 150 kilometer getraind om in beweging te blijven, maar ik kwam uitgerust aan de start. In Mexico zelf kregen we niet zo veel te eten, dus ik was niet te zwaar, zestig kilo. Ik vlóóg die bergen op. Ik won drie ritten, werd tweede in het bergklassement en derde in het eindklassement. De laatste dag reed ik vanuit het vertrek weg, met Theo de Leeuw en een Zwitser. We hebben 175 kilometer op kop gereden, over een bergpas tot 4200 meter hoogte, veertig kilometer klimmen met wind tegen. Het kostte geen enkele moeite. Dat gevoel heb ik nooit meer gehad.’
Saillant detail: Oosterhof won in Mexico zowel een massasprint als twee keer alleen vooruit. En hoe verder de wedstrijd vorderde – de totale afstand in Mexico bedroeg zo’n vierduizend kilometer, meer dan de Tour de France – hoe beter Oosterhof werd. ‘Ik kon diep gaan, maar de volgende dag had ik weer schone benen. En waar anderen naar het binnenblad moesten, kon ik vaak het buitenblad blijven gebruiken. Soms had ik het hele peloton in mijn macht. Als het moest kon ik op zeshonderd meter gaan en dan pakten ze me niet meer terug, zoals later Jelle Nijdam dat deed. Maar een finish bergop was het mooiste voor mij.’ Als Oosterhof het vertelt, klinkt het niet als grootspraak maar realistisch.
Veelzijdig, serieus, en niet te lastig in de ploeg, zo stond Oosterhof destijds te boek. En zo won hij zijn etappes in Olympia’s Ronde, de Ronde van Rijnland Pfalz, de Tour de l’Avenir. Middelink zag in hem een winnaar van de Tour de l’Avenir. ‘Oosterhof is hetzelfde type renner als Joop Zoetemelk, alleen heeft hij iets meer sprintaanleg’, sprak de bondscoach in 1969. In dat zelfde jaar liet Oosterhof zien wat Middelink bedoelde. In de Engelse Milk Race won hij vijf etappes, plus een eerste plaats ex aequo in een tijdrit.
In tijdritten leefde Oosterhof zich uit. Hij overleefde de selectie voor de honderd kilometer ploegentijdrit in 1970. Met zes man moesten ze rijden volgens de methode Middelink; wie het hardst ging, mocht mee. De selectietrainingen waren wedstrijden op zich. Met Fedor den Hertog, Tino Tabak en Aad Duyker bleef Oosterhof over, Frits Schür en Aad van den Hoek vielen af dat jaar. Aan de muur in het loonwerkershuisje hangt het tastbare resultaat van de honderd kilometer op de wereldkampioenschappen, een Delftsblauw bord dat de KNWU schenkt aan alle medaillewinnaars. Brons, met dank aan Middelink.
Van een andere ploegleider, Fré Bos, leerde Oosterhof dat hij niet bang hoefde te zijn voor de jongens uit het westen van het land, en trouwens ook om als eerste de eetzaal binnen te stappen in etappekoersen. Voor je het wist was anders alles op. Oosterhof nam het allemaal in zich op, en schikte zich waar gewenst. Voorbeeldje: ‘Ik was een van de weinigen de enige die nog bij Fedor den Hertog op de kamer wilden slapen, want de andere renners werden moe van het gefilosofeer van Fedor.’
Dus cijferde Oosterhof zich weg voor het ploegbelang, soms te veel, zegt hij nu. Wat niet wegneemt dat hij ook zijn eigen koers kon uitstippelen en eigenzinnig uit de hoek kon komen. Zoals in de wereldkampioenschappen voor amateurs van 1969. ‘De Deen Leif Mortensen reed drie ronden voor het einde weg. In de laatste ronde kwam ik op een klim dichtbij Mortensen, in de afdaling kreeg ik de later verongelukte Belg Jempi Monseré en een Rus in mijn wiel, maar die Rus was al half dood. Monseré weigerde over te nemen. Daar werd ik zo flauw van, dat ik toen vijftig meter achter hem ben gaan rijden. Dat deed ik om te laten zien dat ik niet van hem wilde profiteren, maar ik wilde hem ook niet helpen. Achteraf was dat heel dom, we kregen er ruzie om. Monseré reed me in de eindsprint de hekken in.’
Resultaat: Mortensen kampioen, Monseré twee, Oosterhof vier.
In de Ronde van Rijnland Pfalz 1969 had Oosterhof een andere bevlieging. Op een goede dag reed hij daar vooruit, ziet hij ’s avonds de televisiebeelden, en wat blijkt? ‘Ik werd uit de leiderstrui gereden door mijn eigen ploeggenoten. Toen heb ik ze de volgende dag even laten voelen hoe het zat. Ze moeten me niet kwaad maken, want dan krijg ik er een paar extra benen bij. Dat haantjesgedrag heb ik nog wel een beetje’
Oosterhof won de rit en masseur Bé Huizing maakte meteen na afloop de foto’s die nu de vensterbank sieren. Met die teksten. ‘Pijn is fijn’ en ‘Afzien is maar tijdelijk.’
Oosterhofs eigen manier van doen, kwam soms ook aan het licht in interviews. Praat’ie met het Limburgs Dagblad over de Ronde van Oostenrijk van 1970, brandt’ie ineens los over verboden middelen. ‘Als ze iedere dag hadden gecontroleerd, zouden er wel twintig man uit koers zijn genomen. Je merkt het gauw aan iemand als hij doping heeft gebruikt. Het was eigenlijk een grote rotzooi. Sommige renners stonden na afloop heel vreemd te doen. Dan wist ik al genoeg.’
Oosterhof heeft nooit last gehad van die vrijpostigheid over dat verboden onderwerp, zegt hij anno 2009. En hij voegt er nog iets aan toe. ‘Ik zag ook wel Nederlandse coureurs met een toilettas onder de arm naar de wc gaan. Als je dan vroeg wat ze gingen doen, kwam er geen antwoord. Die hield ik dus in de koers in de gaten. Werden ze er tóch af gereden.’
Oosterhof zelf werd er ook af gereden, op een andere manier. Het gebeurde in de buurt van Sneek. Op 21 juli 1971 reed hij op training tegen een open slaande deur van een vrachtwagen. Een andere vrachtauto reed daarna dwars over zijn middel. ‘Inwendig was alles stuk. Ik kreeg platen en pennen in mijn been, de ontlasting deed het niet meer, mijn buik was helemaal zwart. Normaal was ik gewoon dood geweest. Ik ben blij dat ik niet normaal was.’
De eerste anderhalve maand kreeg Oosterhof enkel glucose, via een infuus. Daarna moest hij echt gaan eten, anders zou hij het niet redden. Morfine bood geen uitkomst tegen de helse pijn, maar Oosterhof haalde het. Zijn sterke gestel en topconditie waren zijn redding. ‘Op oudejaarsdag haalden ze de pennen uit mijn been, in maart zat ik weer in de Ronde van Marokko.’
Toch zou het oude niveau niet meer helemaal haalbaar zijn. De logische loopbaan als beroepsrenner kwam er niet. Oosterhof besloot te stoppen en verkocht rigoureus al zijn fietsen. Dat pakte verkeerd uit. ‘Ik kon na een tijdje bijna geen adem meer halen, als ik diep inademde leek het leek alsof iemand me met een dolk stak. Ik ben toen bij een cardioloog terechtgekomen die zich afvroeg wat ik had gedaan in mijn leven. Mijn hart was zo groot dat ik moet aftrainen tot aan de dood.’
Dat aftrainen gebeurt deels in verre oorden, met lange ritten. Een rondje Australië, van kust tot kust in de Verenigde Staten, in Zuid-Afrika, naar de Noordkaap, noem maar op. Met fietsmaat Jan Zwaving legt Oosterhof zijn routes af.
Zijn route naast de fiets mondde uit in een zakelijk geslaagde carrière. Zijn kinderen, zoon Niels en dochter Daniélle, hebben het winkelcentrum overgenomen dat hij bouwde in het centrum van Eelde. Als kind zei Oosterhof het al, als ze hem vroegen wat hij later wilde worden. ‘Rentenier.’
Uit Wielerrevue juni 2009
![]()