Klaas van Est, de vergeten broer

,,En nou zal ik nog wat vertellen, het is onmogelijk, maar wel waar, we gingen erwten plukken, met zeven man op een fiets. Twee op de pakkendrager voor, twee op de buis, twee achterop en vader reed. Over zo’n koolassepadje, op dertig centimeter van de kant van de dijk.’’

Het is na twee uur praten dat Nico, Nicolaas, Klaas van Est (77) het zoveelste mooie beeld oproept uit een tijd die ver achter ons ligt. Behalve deze middag dan. De jaren vijftig komen helemaal terug in de grote witte boerderij van Van Est, in Noordschans, West-Brabant. Hier woont hij nu, alleen. Zijn vrouw stapte lang geleden op, vier kinderen zijn uitgevlogen, het vijfde kind is dood. Aan de wand hangt een foto van twee pronte boerenmensen, omringd door zeventien kinderen. Zeventien. Zestien eigen, en ééntje aangenomen. Het gezin Van Est uit Fijnaart. Een van de zestien werd zo beroemd dat er zelfs een heel boek over hem is geschreven. Dat was Wim, een broer van Klaas.

Wim was beroepswielrenner en won nog wel eens wat. Klaas was ook beroepsrenner, en won niks. In 1954 en 1955 reed hij bij Locomotief-Vredestein, met Kees Pellenaars als ploegleider. Ploeggenoten uit die tijd waren een Wout Wagtmans, een Jefke Janssen, Adri en Gerrit Voorting, Daan de Groot, Henk Faanhof, Wies van Dongen, ‘onze Wim.’

,,Als je toch ziet, Bordeaux-Parijs, de Ronde van Vlaanderen, de Ronde van Nederland, Wim heeft al die grote koersen gewonnen. We waren daar inwendig groots op, maar we liepen niet rond met, kijk, dat heeft onze Wim allemaal gedaan. Ik was ook niet jaloers op hem, glad niet. Ik ben op niemand jaloers, ook niet in het burgerleven. Hoe beter het met een ander gaat, hoe groter de kans dat het met mij ook goed gaat. Onze Wim had dat wel hoor, dat jaloerse, en mijn oudste broer Arjaan ook. Wim was een felle. Wimme en Gerrit Schulte, dat was concurrentie onder mekare.’’

Wim, de felle, was de eerste renner uit Nederland die in de gele trui mocht rijden in de Tour de France. Klaas weet nog precies wat hij deed, de dag dat dat gebeurde. Hij fietste in de Clinge. Het was een koers laat op de dag en het nieuws uit Frankrijk was al tot Nederland doorgedrongen, dus wat denk je? ,,Ik reed de keien uit de grond in Clinge. Het was daar een parcours van twaalf kilometer en we zaten met twaalf man vooruit. Jantje Konings uit Breda zat er ook bij, ’t Peperkoekske. Die noemden ze zo omdat hij een keer als premie in Axel dertig pakken peperkoek won. Peperkoekske, die kon stérven! Ach, er zijn zo veel dingen jong.’’

Een dag nadat broer Wim de gele trui won, viel hij in een ravijn, dat is een bekend verhaal. Klaas hoeft het niet nog eens na te vertellen. De foto’s staan ook in dat boek dat over Wim is geschreven. ,,Het boek heb ik nooit gezien, maar de foto’s van Wim in dat ravijn wel. De tubes waarmee ze hem eruit trokken waren helemaal uitgerokke. Die konden ze weggooien’’, zegt Klaas. Zo onthoudt ieder het zijne.

De herinneringen van Klaas zijn gekleurd door de armoede en tegenslag die hij heeft gekend. Zijn spieren waren sterk, daar niet van, want bij Van Est hadden ze geen ene slappe in de familie. Wim, Piet en Klaas brachten het tot beroepswielrenner. ,,En onze Kees won als nieuweling in één week tijd in Chaam en Ulvenhout, op een verzetje van 48 x 17. Onze Leen heeft ook gekoerst, en onze Toon ook.’’

Ze waren wel wat gewend, bij Van Est. ,,Mijn vader heeft zijn hele leven de Tour gereden. Hij liep gerust met zeventig kilo tarwe op zijn nek. Ik heb zelf drie voorjaren met zakken van honderd kilo gelopen, kunstmest. Daarna ging ik zeventien maanden in dienst, dat was voor mij een herenleven. In dienst had je rust. Ik ging erin met 1 meter 68 en kwam eruit met 1.73, omdat ik niet meer onder die zakken hoefde te lopen.’’

Spieren van staal, maar te lief voor de koers, Klaas. ,,Kijk, ik wil maar zeggen, als je vroeger koerste, vocht je voor elke meter. Kop tussen de knieën en rijen. Dat gold voor ons allemaal, dus als er iemand plat reed, vond ik dat erg. En dan kom je erachter dat anderen juist blij zijn, omdat ze weer een concurrent minder hebben. Bij een valpartij precies hetzelfde. Het is ik ik ik. Nou, dan komt uit dat je een verkeerd karakter hebt om te koersen.’’

Aan de inzet lag het niet bij Klaas. ,,Dat kom je altijd tegen, iemand die gekoerst heeft, daar zit karakter in, die is zomaar niet weg. De grootste kampioen is drie keer gestorven voordat hij gewonnen heeft. Ik heb ook gekoerst tot en met. Maar als ik naar de meet ging, blokkeerde ik van de spanning. Ducrot zegt het ook op televisie, er zijn veel mensen die hard kunnen fietsen maar toch geen groot coureur worden.’’

Toch was Klaas ook weer niet zo’n hele slechte. In 1954 ging hij naar de Tour. Dat duurde tot de tiende etappe. ,,Geen mens vertelt je in de Tour hoe je een berg op moet, en af ook niet,. Ze zijn je liever kwijt. Nou, moet je luisteren, het gebeurde na veertig kilometer. Een hele grote valpartij. Jules Maenen en ik zochten de groep af die op de grond lag, maar er was geen een Nederlander bij, dus we reden door. Maar Gerrit Voorting was afgestapt na die valpartij. Voorting was er een met kapsones, die had altijd wat. Nou lag Koblet er wel bij, bij die val. Hij komt na een tijdje aangestoven met Voorting in zijn wiel. Voorting reed net als een waggelende eend, hij zwiepte van de ene kant naar de andere. Jules viel daardoor, en ik er overheen. We moesten met zijn tweeën verder en kwamen te laat binnen.’’

Wéér pech, wil Van Est maar zeggen.

Net als in de Ronde van Halsteren, in 1952. ,,Ik brak daar mijn sleutelbeen, maar de dokter die erbij kwam was zo zat als een peer, daar stond hij om bekend. Hij trok mijn armen naar achteren, daardoor is het nooit meer goed genezen.’’

Een jaar later, in de Ronde van Gastel, was er een ander incident. Klaas was weer aan het geven in de kopgroep, maar werd uitgelachen door andere renners omdat hij zo lang en hard op kop reed. Dat lachen deed meer zeer dan de zachtaardige Van Est kon verdragen. ,,Dus ik haal uit, vol op zijn gezicht. Er hing een schorsing in de lucht, maar jurylid Piet van Ierland uit Tilburg, een hele fijne man voor de sport, gaf me de keus: Óf twee maanden schorsing, óf beroepsrenner worden. Zo kwam ik bij de profs. Veertien dagen later reed ik in Roosendaal al zesdes. Schulte ging er winnen.’’

Toch voelde Van Est zich niet thuis bij de beroeps. Het wereldje was te hard. Was je een keer eerlijk, dan werd daar gebruik van gemaakt. Het was ieder voor zich. Rijden voor het geld. ,,Ik ben dikwijls geflikt.’’

Van Est had zijn gezin en moest kiezen. Hij koos voor een leven op zijn boerderij, met kippen, varkens en een loonwerkersbedrijfje. De tegenslag die hij kreeg op zin 46ste kwam hij wel te boven. ,,Ik ben toen van het dak gevallen. Ze zeiden al: ‘die komt niet anders meer terug dan dood.’ Ik ben drie dagen buiten westen geweest. Een ander had nooit meer gewerkt, maar ik kon mijn hoofd nog niet oplichten of ik bemoeide me er alweer mee. Tot 1978 hebben we een gouden gezinsbedrijfje gehad. Toen ging mijn vrouw weg.’’

Van Est komt er vaak op terug, deze middag. Het is bijna dertig jaar geleden, maar het vertrek van zijn vrouw heeft hem flink zeer gedaan. ,,Ik heb alles voor haar gedaan, maar nooit in de gaten gehad dat er iets speelde, waardoor ze is weggegaan. Heel mijn leven ben ik bedonderd, en er geen erg in hebben.’’

Dan biedt het wielrennen van vroeger nog wat troost. En het wielrenen van nu ook. Als het kan volgt Klaas elke koers op televisie. Als hij niet hoeft te werken, tenminste, op en rond de boerderij. Daar is altijd nog wel wat te doen. Af en toe krijgt hij aanloop. Niet meer van Wim, die komt niet meer. Toen hij nog leefde wel, Wim was regelmatig op de boerderij van Klaas, behalve in het jachtseizoen, dan zag je hem niet.

En nou schuiven we dat boek over Wim naar voren, over tafel. Klaas kent het niet, hij zei het al. Zijn vader staat erin, zijn moeder staat erin, zijn broers en hijzelf, maar nee. Nog nooit gezien. Boeken lezen, daar was geen tijd voor. ,,Ik heb heel mijn leven geworken.