Jo de Roo ‘gaat niet wijken’

,,Kijk, daar ligt het bos van Kapelle’’, zegt Jo de Roo. ,,Daar hebben mijn broer en ik nog aardappelen uitgereden voor de familie Balkenende, 48 jaar geleden.’’

Jo de Roo is nu 67 jaar. Hij woont een eindje buiten de bebouwde kom van Kapelle-Biezelinge, in Zeeland, buiten de bebouwde kom van Nederland. Vanuit zijn keuken kijkt hij uit op de kerktoren van Kapelle, op de velden en het bos. De Roo heeft in de ochtend tijd gemaakt voor Wieler Revue, want in de middag kan hij niet. Dan moet hij fietsen. Dat deed hij vroeger ook.

Winnaar van de Ronde van Lombardije en 1962 en 1963, winnaar van Parijs-Tours 1962 en 1963, Bordeaux-Parijs 1962, Super Prestige Pernod 1962, Ronde van Vlaanderen 1965, Omloop Het Volk 1966, Nederlands kampioen 1964 en 1965, een Touretappe in 1964, 1965 en 1966. Dat was de Jo de Roo van toen. De Jo de Roo van nu neemt de tijd om terug te kijken, maar eerst even droog een actueel gegeven naar voren brengen. ,,Jullie zijn te laat.’’

Op tafel ligt een exemplaar van de Provinciaal Zeeuwsche Courant, de PZC. Er staat een verhaal in over de pogingen van enkele nijvere Zeeuwen om de Tour de France volgend jaar naar Zeeland te halen. En zo belanden we meteen middenin een actuele geschiedenis, want Cees Bal is ook lid van het comité dat probeert Jean Marie Leblanc te paaien. En De Roo en Bal, dat zit helemaal niet goed. Hun ruzie kent een merkwaardige geschiedenis. Eerst was daar het toerfietsclubje van Jo de Roo, Mid-City geheten. Op zekere dag sloot Cees Bal zich bij dat clubje aan. Hij wilde graag harder fietsen dan de rest, maar de rest vond dat niet nodig. Dit is natuurlijk een twistpunt in alle fietsclubs die er ooit op de hele wereld hebben bestaan, maar zoals het tussen Bal en De Roo uit de hand liep, dat komt niet overal voor.

Bal probeerde zijn zin door te drijven, schreef hoogstwaarschijnlijk een vervalste brief waarin een niet meer bestaande Haagse apotheker steun betuigde aan zijn idee en dreigde het bestuur van Mid-City uiteindelijk met juridische acties. Later betuigde hij spijt, maar dat was niet genoeg voor De Roo. Einde van het liedje: De Roo is uit het comité van aanbeveling voor de Tour in Zeeland gestapt, hij ging niet naar het verjaardagsfeest van de 75-jarige Koninklijke Nederlandse Wielren Unie omdat de KNWU Bal handhaaft als districtsbestuurder, en fietsend Zeeland raakt zo’n beetje verdeeld in twee kampen. Bal heeft Mid-City verlaten en heeft een eigen clubje opgericht; TGV geheten. En De Roo fietst ook niet meer met het groepje eminente oud-coureurs dat af en toe de Zeeuwse en West-Brabantse wegen verfraait en waar Bal ook deel van uitmaakt. ,,Zij hebben mij niet nodig, maar ik heb hun ook niet nodig’’, zegt De Roo daarover. En even daarna: ,,Ik ga niet wijken voor Bal.’’

Later op de ochtend gaat het over etappekoersen. De Roo vond er nooit veel aan. Ben je leider in zo’n wedstrijd, moet je op het wiel van je naaste belagers gaan rijden om de leiding te behouden. ,,Op het wiel rijden zint me niet, dat is mijn trotsigheid.’’

Op zeker moment was De Roo die trotsigheid kwijt. Dat was na zijn wielerloopbaan, nadat zijn zaken in elektronische apparatuur failliet waren gegaan en zijn huwelijk was gestrand. ,,Ik heb in mijn verdere leven na het fietsen niet zo veel meer gepresteerd en ik heb privé zwaar in de put gezeten. Je komt dan met een psychiater in aanraking en met pillen enzo. Ik heb werkelijk moeten afkicken. In die tijd had ik medelijden met mezelf, maar dat mag niet. Ik heb mezelf herpakt.’’

De Roo is fietsend huisman vandaag de dag. Zijn wielerverleden zal hem hebben geholpen bij dat herpakken. Hij reed in de ploeg van Jacques Anquetil, deelde de kamer met Tom Simpson, verloor Bordeaux-Parijs aan Wim van Est en trapte die ontroerende erelijst bij elkaar. Dan heb je iets moois om op terug te kijken in moeilijke perioden. ,,Het wielrennen is een hele mooi tijd geweest, maar je hebt toch ook wel je miskenningen meegemaakt. Wat dan? Allemaal gedonder met die bond joh!’’

De Roo duidt op zijn selecties voor de wereldkampioenschappen. Of meer: zijn niet-selecties. Er was altijd wel wat. Pak 1962. De Nederlandse toppers in die tijd reden veelal in dienst van buitenlandse kopmannen. Dus wat dacht de bond: die mannen gaan in het wereldkampioenschap toch niet voor hun land rijden, laat ze zelf hun reis- en verblijfskosten maar betalen. ,,Toen hebben alle renners collectief gezegd: we gaan niet! En weet je wie de enige was die woord hield? Hier! Jo de Roo! In 1957 was ik als amateur geselecteerd voor het wk in Waregem, maar ik kreeg wel een brief thuis dat ik drie weken vantevoren niet mocht koersen. Maar ik kreeg dispensatie, en wat gebeurt er? Ik val in een koers in Aalst mijn knieschijf kapot. Kregen ze nog gelijk ook! Vroeger jongens!’’

Dan verging het De Roo in het nationale kampioenschap beter. Hij won niet alleen twee keer, maar werd ook drie keer tweede, de eerste keer bij de amateurs in Zandvoort. ,,Daar heb ik heel veel van geleerd. Ik kom daar in de sprint op kop en houd zo Steenvoorde uit de wind. Die klopt mij.’’

Later heeft De Roo die fout nooit meer gemaakt, vertelt hij. De sprint van achteruit aangaan, dat werd zijn handelsmerk. Zo won hij van de rappe Ward Sels de Ronde van Vlaanderen. ,,Ik heb zelf Darrigade eens geklopt, op het eiland Mann.’’

Darrigade, won 22 etappes in de Tour. Niet zo traag. De Roo zegt ook: ,,Ik moet zeggen, ik heb zeven klassiekers gewonnen, maar ik ben nooit tweede geworden. Geklopt worden vond ik niet zo leuk.’’

In het NK van 1964 ook niet. ,,Ik moet er nog steeds aan denken. Het was in Beek en het was heel warm weer. Ken je iets van het parcours? Er waren twee klimmen, niet zo steil hoor. Verder glooit het een beetje. Ik reed toen in de ploeg Anquetil en wij zaten een beetje tegen Televizier aan te hikken. Zeventig kilometer voor het einde komen Cees Haast van Televizier en ik voorop. Cees mocht niet meewerken. Ceesje was een eerlijk mannetje. Hij zei dat hij niet mocht en dat hij toch zou proberen te winnen. Maar aan de meet was ik ‘m kwiet.’’

De Roo praat Nederlands met af en toe een woordje onvervalst Zeeuws. Behalve als Wim de Wilde binnenkomt, oud-beroepsrenner. De Roo en De Wilde gaan vanmiddag fietsen en daar moet iets over afgesproken worden. Dat gaat volledig in het Zeeuws. De Wilde schuift aan. Ella, De Roo’s huidige echtgenote, zet soep op tafel en een schaal belegd witbrood. Alle gasten eten mee, daar hoeft niet over gesproken te worden.

Het gesprek komt op de foto van De Roo, die in de hal hangt. Een levensgroot beeld van een stijlvol coureur, alleen op kop. De gasten moeten raden in welke koers de foto is gemaakt. Het was Parijs-Tours. De foto kwam er niet vanzelf te hangen, vertelt De Roo dan, met zelfspot en liefde voor de realiteit. Tijdens het ophangen van het gevaarte viel De Roo van het trapje, hij had wel dood kunnen blijven, maar hij is springlevend. Een half uurtje na de soep zit hij op zijn Huissoon, met de commandeurs op de schuine buis. Of de snelheid bij het fietsen nog van belang is? ,,Ik ben een oude vent hee. Maar als je naast iemand fietst en je kunt hem niet bijhouden, dan voelt dat niet zo goed aan.’’