Henk Poppe, geen zakenmanRassprinter Henk Poppe won een rit in de Tour de France van 1974. Een jaar later verdween hij bliksemsnel en grondig van het wielertoneel. ‘Ik was bovenin niet klaar om zaken te doen op de fiets.’
Jarenlang hield Henk Poppe de pers buiten de deur. Aan belangstelling geen gebrek, daar niet van. Elk jaar rond de Ronde van Frankrijk weten journalisten hem te vinden: toe Henk vertel nog eens. Henk niet. ‘Ik heb jullie niet nodig’, verklaart Poppe het waarom van zijn weigeringen. Maar deze avond heeft hij er weer zin in.
Urenlang vertelt Henk Poppe over het fietsen van vroeger en het fietsen van nu. Als het gaat over nu, spat het plezier er af. Dan gaat het over de 65 kilometer die hij zojuist nog heeft gereden, 32,2 gemiddeld. Of over zijn laatste valpartij, drie jaar geleden. Mooi was dat. Met zijn zoons Mark en Jeroen was hij aan het fietsen, boem. Lag Poppe senior ineens op de grond. ‘Mijn sleutelbeen gebroken, voor de zoveelste keer. Mijn zoons reden gewoon door, die dachten: hij komt wel. Na een tijdje zijn ze toch omgedraaid. ,,Wat heb je, kun je niet meer?’’ Ik had ook mijn schouderbanden gescheurd, dat gaf extra pijn.’
Met de toerclub van CC 75 Nijverdal, zijn woonplaats, maakt Poppe regelmatig een ritje. Dan rijdt hij op het randje. Als hij op kop zit, gooit hij zijn fiets op het laatste moment en met grote vaart de bocht in. Als de rest hem dan probeert na te doen, gaat het wel eens mis. ‘Ligt er ineens een hele berg toerders achter me op de grond. Ik zeg dan; jullie hoeven me toch niet volgen?’
Of in het winterseizoen, op de veldritfiets, in een afdaling keihard naar beneden over een zanderig stuk vol sporen. Gewoon trappen, die fiets laten lopen en niet denken. ‘Op zulke momenten denk ik niet.’
Zo deed Poppe het vroeger in koers ook, rijden op het scherp van de snede. Op de pedalen gaan staan op het moment dat je bij het uitkomen van de bocht nog helemaal schuin hangt. Dan ben je eerder en sneller dan de anderen die dat niet durven. En in een sprint afwachten, ‘loeren op een gaatje en dan tjak! Er tussen! Het is een gevoel hé, zo’n sprint. Puur op intuïtie. Als je goed rijdt, zit je ook altijd aan de goede kant van het peloton.’
Een enorm explosief type, Henk Poppe. Hij zegt het zelf. Het was niet alleen af te zien aan zijn rijden, het kwam ook na de koers wel eens tot uiting, als iets niet beviel. Dan smeet hij desnoods zijn fiets tegen de jurywagen om een betoog wat te onderstrepen. En: ‘Neem één ding van me aan. Als ze je echt de hekken willen inrijden, echt onrecht doen, en ze weten dat ze dan een knal voor hun kop kunnen krijgen, dan passen ze wel op.’
Resoluut en fel, zo is Poppe op de fiets en zo stapte hij ook af, als beroepsrenner. Maar eerst het begin, in dezelfde Nijverdalse straat waarin hij nu nog woont. Als kind reden ze daar rondjes, zijn vrienden en hij. Een buurman verzamelde prijsjes, er ontstond een gezellige, onofficiële competitie in de buurt. Twaalf jaar was Poppe toen, hij was vertrokken en voortvarend ook. Als aspirant – nieuweling - won hij vrijwel alle koersen waaraan hij meedeed. Bij de junioren liep het ook als een trein en op zijn zeventiende werd Poppe met dispensatie amateur, een jaar eerder dan gebruikelijk. ‘Ik reed puur voor de lol.’
Een van de lolligste momenten vindt Poppe nog steeds zijn overwinning in de Ronde van Limburg, als achttienjarige. ‘Ik was te laat bij de start en moest achter het peloton aan. Op de Geulhemmerberg ben ik als een streep naar de kopgroep gereden. Ik ging meteen door, Arie Hassink en Cees Priem haakten aan. Hassink en Priem konden elkaar niet luchten of zien. Ze hadden om beurten moeten aanvallen om mij als sprinter kwijt te raken, maar dat deden ze dus niet. Ik won de sprint gemakkelijk.’
Het talent bleef niet onbekend, Poppe fietste zich in de selectie voor de Olympische Spelen van München in 1972. Dat hele jaar reed hij etappekoersen, in de DDR, Schotland, Engeland. Aan de vooravond van de Spelen was hij in bloedvorm. ‘Ik was de enige die op training naast Fedor den Hertog kon rijden. Niemand reed zo hard als wij.’ Toch werd Poppe niet geselecteerd. Niet voor de honderd kilometer ploegentijdrit, evenmin voor de wegwedstrijd, gewonnen door Hennie Kuiper. ‘Ik had een van de beste voorbereidingen in mijn leven gehad, ik reed als een speer, maar mocht niet meedoen. Toen ik dat hoorde, ben ik naar de camping gefietst waar mijn vrouw zat met de vrouwen van Hennie Kuiper en Ben Koken. Ik heb hem op de dertien geklapt en ben vertrokken.’
Om maar te zeggen, stampend van kwaadheid, op een grote versnelling, reageerde Poppe zich af. En meteen schiet hem nog iemand te binnen die zoiets ooit deed, toen ook hij niet geselecteerd werd. Cees Bal. ‘We waren op trainingskamp in Papendal, Bal werd uit de selectie gezet en reed naar huis, naar Zeeland. Ajuus, zei hij. Meer niet.’
Eerder vanavond is de naam Bal ook al gevallen, als Poppe vertelt dat hij nog steeds al het wielrennen volgt dat er maar op tv is. Ook het verslag van de toerversie van de Ronde van Vlaanderen, op de zaterdag voor de koers. Daar was toerist Bal in beeld geweest en ze hadden hem gevraagd hoe hij het had gehad. Cees Bal, die de Ronde won in 1974, had gesproken van een prettig weerzien met Vlaanderen. Poppe zag de beelden op tv en vertelt er stralend over. ‘Ik kreeg kippenvel op mijn armen.’Op zijn 22ste werd Henk Poppe beroepsrenner bij Frisol, in 1974. Speels, niet echt serieus in de koers, stelde Poppe nog steeds het plezier in de sport voorop. Op 30 juni 1974 is dat plezier groot. Het heeft de artisjokkwekers van Bretagne behaagd de Tour in huis te halen, een korte oversteek naar het eiland aan de overkant incluis. Daar werd die dag de etappe Plymouth-Plymouth verreden. In Poppes woonkamer hangen twee foto’s van die rit, van de sprint en van de lachende winnaar vlak ná de sprint. ‘Eddy Merckx gaf een teken aan Patrick Sercu. Merckx wilde hem helpen, ook al waren ze geen ploegmaats. Maar ik zag een gaatje en dook erin.’ Zo won Henk Poppe zijn Touretappe. Een mooi moment, maar de roem die zo’n Tourrit met zich meebrengt, lijkt van Poppe af te glijden. Zeker, hij vindt het leuk, hij kan ervan genieten, maar er was meer in die dagen. De wereld van het beroepswielrennen beviel niet zo.
Poppe vat zijn kritiek op de profwielrennerij samen in een gebaar. Achter de ellebogen. ‘Het is een enorm linke wereld. Je moet oppassen wat je zegt, je kunt niemand vertrouwen. En ik ben iemand die altijd zegt wat hij denkt.’
Er waren dingen die Poppe niet begreep en waar hij niet aan mee wilde doen. Doping, om iets te noemen. ‘Als ik criteriums reed eindigden soms renners voor me waarvan ik wist: dat bestaat niet. Ze vertelden me dat je niet bij oudere renners in de kleedkamer moest komen, daar zag je mannen met zúlke blauwe plekken op hun kont. Ik heb ook wel eens gezien dat een renner het laatste beetje dat in een spuit zat, in zijn mond wilde gieten. Viel de naald eruit, zo in zijn keel. Iemand anders heeft die naald eruit staan pulken. Sommige renners kon je in onze tijd zien als verslaafden. Het verschil met tegenwoordig is dat er nu artsen bij ploegen zijn. Met die artsen kun je overleggen.’
In de Tour van 1974 was Poppe opmerkelijk open over doping in het peloton. Aan Volkskrant-verslaggever Frans van Schoonderwalt vertelde hij hoe en waarom hij het moeilijk had in de ritten na zijn sprintzege. Poppe reed twee dagen voor de bezemwagen uit.
‘Ik heb echt overwogen af te stappen. Maar ik ben doorgegaan omdat ik nog drie ploegmakkers bij me had. Dan waren die ook afgestapt en dat zou een blamage zijn geweest. Voor mij is nu iedere dag meegenomen. Ik had niet gedacht dat ik zo ver zou komen. Temeer niet omdat ik naturel rij. Dat durf ik hardop te zeggen. Dan komt het wel eens moeilijk over als je om je heen Italianen en Spanjaarden ziet pakken en later gemakkelijker dan jij de berg op ziet gaan. Maar ik wil er niet aan. Als ik er zo zou uitzien als Guimard, hoeft het voor mij niet. Deze Tour uitrijden levert me drieduizend gulden op. Wanneer ik een picure zet, haal ik Parijs, maar ik ga me voor 3000 gulden niet naar de verdommenis rijden.’
Poppe zou Parijs niet halen in zijn enige Tour. Dat had te maken met een andere gewoonte in de wielrennerij in die tijd. Weinig drinken. Onder bondscoach Joop Middelink had Poppe bij de amateurs al kennis gemaakt met de ijzeren wet die renners verplichtte tot weinig drinken tijdens de koers. In 2009 klinkt dat volslagen belachelijk, maar nog geen vier decennia geleden leefden coureurs met het waanidee dat drinken slecht was. ‘Op trainingskamp in de zomer in Duitsland lag je je ’s avonds in bed helemaal lek te zweten. Dan kroop ik ’s nachts naar de koelkast om een colaatje te pakken, hoorde ik de stem van Middelink. ,,Henk, niet doen!’’ Ik heb een keer een flesje bier gepakt en het zo voor Middelinks neus opgedronken. Later moest ik bij hem komen. ‘’Henk, ik vind het knap dat je dat durft, maar je moet het niet nog eens proberen.’’’
In de Tour van 1974 werd drinken het struikelblok voor Poppe. Hij wilde voldoende vocht tot zich kunnen nemen tijdens de etappes. Bij Frisol was de bevoorrading niet naar zijn zin geregeld. Op de achtergrond speelde ook mee dat Poppe naar eigen smaak veel te vroeg naar de Tour had gemoeten, op zijn 22ste al. Hoe dan ook, in de elfde rit, over de Col du Télégraphe, vond Poppe het genoeg. Hij had het van tevoren al gezegd; ‘Als ik morgen geen drinken krijg, stap ik af.’ Aldus geschiedde. ‘Ik ben op de Télégraphe omgedraaid en de bezemwagen tegemoet gereden. Bernard Thévenet zat er ook in.’
Een jaar later kwam de hele loopbaan van Poppe op een zelfde abrupte manier tot stand. ‘Ik heb mijn fiets halverwege het seizoen in de schuur gezet en hem bijna twintig jaar niet meer aangeraakt. Ik heb er nooit spijt van gehad.’
Eén ding had Poppe nog wel anders willen doen, achteraf. ‘Rik van Linden kwam me destijds vragen of ik in zijn Bianchi-ploeg wilde komen rijden. Ik had dan in Italië moeten gaan wonen. Dat had ik moeten doen. Maar ik moest de sprints voor Van Linden aantrekken. Daar had ik geen zin in.’
Zelf winnen, zelf plezier erin hebben, het bleef voorop staan. ‘Ik ben nooit echt prof geweest. Je moet zakenman zijn op de fiets. Daar is niks mis mee, maar ik was er bovenin niet klaar voor.’ Na zijn fietsloopbaan ging Poppe aan de slag als interieurbouwer. Winkelbetimmering werd zijn ding, tot de dag van vandaag. Sport bleef altijd een belangrijke rol houden. Voetballen, mountainbiken, wielrennen. Als veteraan reed Poppe nog een paar jaar zijn koersjes. Met zoons Mark en Jeroen ging hij mee naar hún wedstrijden. Mark is nog steeds amateur, Jeroen moest stoppen wegens een afgeknelde liesslagader. ‘Hij is opgegroeid met mannen als Robert Gesink en Lars Boom en was niet veel minder.’ Dochter Marloes fietste ook nog een tijdje en leefde mee met de rest van het gezin. Met zijn allen een weekendje achter de koers aan, was geen uitzondering. Tweeëneenhalf jaar geleden kwam met het overlijden van Poppes echtgenote Coby een grote klap. ‘Zij was de manager in huis, de ploegleider. Ze heeft heel wat met ons te stellen gehad.’
De huisarts schatte in dat Henk Poppe goed met het verlies zou omgaan. Poppe beaamt dat het inderdaad zo loopt en vertelt nog een enthousiast verhaal. ‘Wielrennen, je kunt er dagenlang over praten.’
Uit Wielerrevue april 2009
![]()