Harm Ottenbros, opgeruimdHarm Ottenbros, veertig jaar geleden wereldkampioen, is terug in koers. Figuurlijk dan. Jarenlang wilde hij niks meer met wielrennen te maken hebben, maar de weerzin tegen het métier is gesmolten, de cirkel is weer rond.
Harm Ottenbros neemt de telefoon op, zo te horen goed geluimd. ‘Ja, mooi hé, dat wereldkampioenschap. Het was deze week 10 augustus, precies dertig jaar geleden. Ik heb er nog wel even aan gedacht. Het zijn leuke herinneringen.’
Maar toch. Toch heeft Ottenbros geen zin zijn verhaal nog eens uit de doeken te doen. Vriendelijk en beslist: geen interview. Dan maar een verhaal uit het archief en het geheugen.
Harm Ottenbros, het eerste beeld dat te binnen schiet is die regenboogtrui en wat hij daarmee deed aan de vooravond van de wereldkampioenschappen van 2002. Het wk was dat jaar op Zolder. Op datzelfde racecircuit versloeg Ottenbros op 10 augustus 1969 de Belg Julien Stevens in een sprint met zijn tweeën. Aan de vooravond van het wk 2002 werd daar aandacht aan besteed op tv. Ottenbros en Stevens zaten samen in de studio. De Nederlander had een regenboogtricot bij zich en legde uit dat de Belg eigenlijk net zo veel recht had op zo’n truitje. Samen hadden ze die dag de koers gemaakt, en dat Ottenbros nou toevallig de sprint met vijftien centimeter verschil had gewonnen, het zou wat. Dus wat doet de Nederlander? Hij pakt die trui, zet de meegenomen schaar erin, knipt het ding in tweeën en geeft de ene helft aan Stevens. Zo. Opgelost.
Het is een opvallende actie van Ottenbros en niet zijn eerste. Overbekend is inmiddels de manier waarop hij afscheid nam van de wielrennerij. Op zijn racefietsje reed Ottenbros over de Zeelandbrug, samen met Gerrie Knetemann. Halverwege stopten ze. Ottenbros smeet zijn fiets in het water en ging bij De Kneet op de stang verder. Dit alles voor het oog van een VPRO-camera.
Nog zoiets: de bijnaam die Ottenbros zichzelf gaf, Adelaar van Hoogerheide. Het was ironisch bedoeld, met zelfspot, want een regelrechte klimmer als de Adelaar van Toledo – Federico Bahamontes – was Ottenbros nou net niet. Jammer voor hem dat die bijnaam een eigen leven ging leiden. De subtiele humor die Ottenbros erin legde, was niet aan het peloton besteed. De Adelaar werd om zijn eigen grap gehoond en uitgelachen.
Zo zal Ottenbros vaker last hebben gehad van zijn eigen uitspraken, soms wat wonderlijk, soms recht voor zijn raap en confronterend. Vragen ze Ottenbros na zijn wereldkampioenschap wat zo’n titel nou opbrengt, antwoordt hij: ‘Dat moet je maar aan mijn man van de Boerenleenbank vragen.’ Zeggen ze tegen hem dat Rini Wagtmans niet zo blij was met zijn overwinning in Zolder, riposteert Ottenbros: ‘Wagtmans had in de Tour goed gereden en was de held van Nederland. Maar door mijn wereldkampioenschap is hij dat maar vier weken geweest, hij rekende op een heel seizoen. Ik heb volgend jaar maar één echte concurrent, vijand misschien, en dat is Wagtmans. Gelukkig maar dat er niet allemaal Wagtmansen meerijden, anders had ik al lang niet meer op de fiets gezeten. Wagtmans is erg eerzuchtig. Ik niet. Ik ga niet over lijken, ik ben alleen hard voor mezelf.’
Het zijn uitspraken die staan, maar die geen begrip en vriendschap genereren. Hetzelfde geldt voor Ottenbros’ evaluatie van zijn eigen wereldtitel. Het zou die dag gaan draaien om vedetten als Eddy Merckx en Roger DeVlaeminck, topbelgen van dienst in hun eigen land. Toch kwamen de modale coureurs Ottenbros en Stevens op kop, de grote kampioenen lieten het afweten. Dus zei Ottenbros doodkalm tegen verslaggever Frits Suèr van dagblad De Tijd: ‘Niet ik, maar de vedetten hebben de wielersport belachelijk gemaakt.’ Het leverde opnieuw weinig bijval op van de campionissimi.
Zo kwam het dat de kleine wereldkampioen in de jaren na zijn overwinning niet veel meer won. Het peloton nam hem niet serieus, kleineerde hem waar mogelijk en gaf hem weinig ruimte. Daar kwam dan nog de drukte bij die een wereldkampioen over zich heen krijgt. ‘Soms denk ik, was ik maar tweede geworden. Al die rompslomp die je aan je hoofd hebt, dat was ik vroeger nooit gewend. Ik werd een paar maanden geleden nog maar drie keer per week opgebeld, nu tien maal per dag. Daar moet ik eens een oplossing voor zien te vinden’, vertelde Ottenbros aan Rien Robijns van Het Vrije Volk, een paar maanden na ‘Zolder.’
‘En ze letten op je bij de koers. Ik was een verrassing. Er zijn er, die me dat niet gunnen. Die zeggen tijdens een kermiskoers: hou jij nou maar je gemak, jij hebt al zo veel verdiend. Zo’n kampioenschap zet je onder zware druk. Volgend jaar zal het nog wel erger worden. Dan ben ik nooit meer thuis denk ik. Maar wat ik nu heb verdiend, had ik anders in geen tien jaar verdiend, dat staat er weer tegenover.’
In De Telegraaf verwoordt Ottenbros het allemaal nog een stukje sterker, ten overstaan van Charles Taylor. ‘Ze hebben me kapot gemaakt. Er is van alle kanten fanatiek geprobeerd mij geld afhandig te maken. Er is op mij gekoerst, zo fel, zo gemeen, dat ik soms dacht, ik stop er maar mee. Zo hoeft het niet meer. Het feit dat ik denk dat ik de enige naturel-wereldkampioen van na de oorlog ben, doet daar niks aan af. Ik word nooit een vedette van het niveau van Jan Janssen of Jacques Anquetil of Felice Gimondi, maar ik kan misschien wel voor een uitschieter zorgen. Ik moet zorgen dat ik me niet kapot rij.’
Daar wrong nou net de schoen. Er was iets mis met de planning van Ottenbros, na zijn zege te Zolder. Zowat overal waar hij gevraagd werd, verscheen hij aan de start, zesdaagsen incluis. Dat ging aanvankelijk niet best. In Zürich reden ze hem op 48 ronden, in Münster op 24. Peter Post sloeg het gade en dacht er het zijne van. ‘Men kan Harm moeilijk verwijten dat hij wereldkampioen is geworden. Wel dat hij niet zorgvuldig selecteert. Het publiek verwachtte dat Ottenbros zijn wereldtitel waar zou maken, maar als hij inschrijft voor een bergtijdrit en zesdaagsen, komt daar niks van terecht want dat zijn uitgekiend zijn zwakste punten.’
Al met al wist Ottenbros wel wat te verdienen aan al die deelnames aan al die koersen. Een heel huis fietste hij bij elkaar, gebouwd aan de KLM-laan in Hoogerheide. Mensen die zich afvroegen waar hij dat van deed, konden het antwoord lezen op de gevel van het optrekje, in gouden letters. ‘Van Zolder.’ De eigenaar plaatste er destijds meteen een relativerende opmerking bij. ‘Een presentje van Merckx zeggen ze hier, ken je nagaan.’
In dat huis woonde Ottenbros met zijn toenmalige vrouw Pia en zoon Fabio. Hun huwelijk zou geen stand houden. Al vrij snel na ‘Zolder’ was echtgenote Pia al iets opgevallen. ‘Harm is veranderd.’ Het spontane, het onbevangen zeggen wat je denkt, was meteen gaan minderen.
Na zijn wielerloopbaan slaat Ottenbros een geheel andere weg in. Kraakpand, baard, kunstenaar, begeleider van verstandelijk gehandicapten. Ver weg van het eendimensionale wereldje van winnen, winnen, winnen. Jarenlang had Ottenbros een afkeer van het métier. In 1999 pikte hij weer aan, op voorspraak van Jan Janssen. ‘Jan zei, je kunt altijd negatief blijven denken over de sport, maar je hebt er ook veel aan te danken. Hij had gelijk’, vertelde Ottenbros in 2002 aan Ad Pertijs van BN/DeStem. In 1999 ging Ottenbros met oud-collega’s mee naar het WK van Verona. Hij werd er opgenomen in de kring van vroegere wereldkampioenen en genoot. ‘Ik voelde me vrij.’
Ottenbros heeft zich verzoend met de geschiedenis. ‘Ik verfoei de dag niet meer waarop ik wereldkampioen werd. Zeker niet. Ik ben nu trots op die titel. Maar ik besef ook dat ik voor de organisatoren een klotewinnaar was. Ik was best een goede renner, maar niet van wereldklasse. Men accepteerde me niet. Eigenlijk ben ik altijd een grote amateur gebleven. Ik wilde ook niet anders, ik was geen vedette. Maar als wereldkampioen werd dat wel van me verwacht. Ik moest iemand zijn die ik niet wilde zijn. Als ze jou vandaag plots benoemen tot burgemeester van Rotterdam, weet je ook dat je binnen een half jaar een maagzweer hebt.’
Alle jaren dat Ottenbros zich van het wielrennen afkeerde, bleef hij wel sporten, badminton. En na Verona klom hij ook weer op de fiets. Dat doet hij nog steeds, van Strijen over de Moerdijkbrug naar West-Brabant en weer terug. WielerRevue mag gerust een keer mee, in plaats van een interview. Aanpikken in Etten-Leur en dan maar zien hoe het loopt. Alleen, op de afgesproken datum gaat het niet door. Fietsen is geen must meer maar een lust, en de weersvoorspellingen wijzen een andere weg. Het wordt meer dan dertig graden. Zegt Ottenbros, opnieuw opgeruimd: ‘Veel te warm. We gaan naar het strand.’
Uit Wielerrevue september 2009
![]()