Jan Jonkers weet wat afzien is
Jan Jonkers, man man , wat kon die afzien. En altijd maar lachen. Een vrolijke renner, goed voor een vlotte babbel op de radio, aardig, eerlijk. Het aardige en eerlijke is gebleven, maar het lachen is Jonkers vergaan. Na zijn plotse ontslag als beroepsrenner bij TVM in 1987 ging het bergaf. Jonkers is er nog steeds depressief van. Jarenlang moest hij niks meer hebben van het wielrennen, maar nu gaat het de goede kant op. Sinds een maand of twee zit Jonkers weer op de racefiets.
Jan Jonkers (49) uit Oud Gastel en afzien, het is bijna synoniem. Neem pakweg die befaamde Luik-Bastenaken-Luik in 1980. Bernard Hinault won met ruim negen minuten voorsprong op Hennie Kuiper, en Jonkers – koud een paar maanden prof - werd 16 de . Het was beestenweer die dag. Sneeuw, hagel, vorst. Jonkers reed zonder handschoenen. ,, Ik had ze nog niet eens meegenomen.'' Een zetpil tegen de opkomende kramp deed geen dienst, want met half bevroren vingers valt zo'n ding niet naar zijn bestemming te manoeuvreren. Schakelen en remmen moest met de palmen van de hand. Van de 174 gestarte renners kwamen er slechts 21 aan de finish.
Bordeaux – Parijs 1985, nog straffer. Jonkers begon slecht voorbereid aan de monsterrit van 585 kilometer, waarvan de tweede helft achter motoren. Nou ja, slecht voorbereid. Op voorspraak van ploegleider Lomme Driessens deed Jonkers mee aan een Spaanse etappekoers die pas een week voor Bordeaux-Parijs was afgelopen. Iedere dag reed hij daar zijn ritten, maar dan wel met een extra training erbij van een kilometer of tachtig voor de start. En erna nóg één. Oververmoeid kwam Jonkers aan de start in Bordeaux. ,, Ik zag eruit als een lijk.'' En toen moesten die 585 kilometers nog beginnen. De eerste tweehonderd gingen nog wel, de traditie van Bordeaux-Parijs wilde dat de renners dan kop over kop een gezamenlijk tempo reden. Maar toen de motoren in het strijdperk kwamen, ging langzaam het licht uit. ,, Ik kwam kapot te zitten. Het was nog driehonderd kilometer.''
Afstappen dan toch maar? Toch maar niet. Jonkers kon het niet maken, vond hij. Zijn fanclub met 350 betalende leden had een bingo gehouden en een benefietavond met Koos Albers , Jack Jersey en The Four Tak, uit zijn woonplaats. Particulieren uit de buurt brachten daarnaast nog eens gul 2800 gulden in het laatje, zodat Jonkers zijn kosten en inschrijfgeld van rond de 3500 gulden kon dekken. En aan de meet in Parijs stonden zijn supporters. Al deze mensen mochten niet teleurgesteld worden. Doorrijden dus.
,, Weet je wat het ook was. Ze maakten van de AVRO een televisiereportage over mijn voorbereidingen en de wedstrijd. Dan wil je niet afgaan natuurlijk.'' Kokhalzend kwam Jonkers over de streep. Toen hij 's avonds in Oud Gastel toch nog maar een half uurtje naar het plaatselijk café om daar zijn fans te begroeten, bleef een slokje melk niet binnen. ,, Als je helemaal naar de kloten bent, kun je niks meer verdragen. Ik ben nog een hele week slecht geweest.''
Afzien. Jonkers was nog maar net een paar maanden prof, toen hij met het ploegje van zijn eerste sponsor Boston naar de Ronde van Frankrijk mocht. Boston was niet bedoeld voor een hoofdrol in de Tour. Ze waren met zijn vijven. Een samenraapseltje van vijf Fransen onder de naam Les Amis du Tour de France , completeerde de gemengde ploeg. Het maakte Jonkers niet veel uit. Hij zat zomaar in de grootste wedstrijd van de wereld , wat je noemt een jongensdroom. En Parijs halen hé! Sterker nog, in de beroemde rit over de kasseien, waarin Bernard Hinault en Hennie Kuiper samen vooruit reden en Hinault naar later bleek zijn knie te veel forceerde, in die etappe werd Jonkers als debutant keurig veertiende. En in Saint Malo spurtte hij die Tour ook nog naar een zesde plek. Het jaar erop deed Jonkers voor de tweede en laatste keer mee aan de Tour, en opnieuw haalde hij Parijs, al ging dat niet gemakkelijk. Hij kwam aan de start met een virusinfectie en deed de eerste dagen niks anders dan voor de bezemwagen uit rijden. Tweehonderd kilometer, op een dag. ,, Als je dan een seconde aan afstappen denkt, heb je het al gedaan.''
In die Tour van 1981 hielp Jonkers zijn kopman Lucien van Impe . Hij probeerde hem netjes vooraan af te zetten aan de voet van de bergen. Daarna moest klimmer Van Impe het alleen doen. In één rit had kleine Lucien extra hulp nodig. ,, Ik reed die dag wel zó goed, en hij wel zó slecht, hij zat te blèten in mijn wiel. ‘Blijf alsjeblieft bij me.' Ik heb hem al mijn eten gegeven. Maar toen ik hem vroeg of hij een bolletjestrui voor me had, kon hij er geen missen. Een supporter kon wel een trui krijgen, maar een ploegmaat liet hij stikken. Gek hé jong. Van Impe zei later dat hij me aan me zou denken als hij naar een andere ploeg zou gaan. Nooit meer iets van gehoord. Daar ben ik wel zo op afgeknapt.''
Van Boston hoorde Jonkers plots ook niks meer, want het bedrijf in koelkasten ging failliet en verdween, met een betalingsachterstand van een paar maanden loon. Na zijn twee jaar bij Boston kwam Jonkers eerst in kleinere ploegjes terecht – Beckers Snacks en Elro - om vervolgens drie jaar voor TVM te rijden. In 1987 ging het daar mis. ,, In de Ronde van Nederland maakte co-sponsor Cees van Schilt bekend wie er allemaal in de ploeg konden blijven. Ik hoorde daar bij en maakte me dus geen zorgen. Willy Teirlinck van Sigma vroeg me daarna nog of ik in 1988 bij hem wilde komen rijden, maar dat aanbod heb ik afgeslagen omdat ik liever in een Nederlandse ploeg bleef. Toen ik al in volle voorbereiding was voor 1988, kwam Cees van Schilt ineens bij me thuis. Ik dacht dat hij het contract in orde kwam maken, maar ik kreeg te horen dat er geen plaats meer voor me was. Daar stond Jan. Ik vond dat feitelijk wel jammer'', zegt Jonkers onderkoeld.
Feitelijk wel jammer, de wereld stortte in. Het was te laat om nog een nieuwe ploeg te zoeken. Het was al januari en alle formaties waren rond. ,,Je kunt ineens je leven geen invulling meer geven. Toen ik nog fietste hebben veel mensen me gezegd dat ik ze maar op moest bellen als het afgelopen was met koersen, dan zouden ze wel wat voor me regelen. Maar er was geen mens thuis hoor.''
Het zwarte gat werd erg zwart. Tien jaar lang duurde dat, totdat in 1997 Jonkers' huis afbrandde. Vanaf dat moment herpakte hij zich. Nu gaat het wel beter, maar de depressies duren voort. ,, Ik loop er nog dagelijks mee te worstelen dat ze me zo besodemieterd hebben. Vroeger zou ik depressieve mensen voor gek versleten hebben, en nu heb ik het zelf. Ik denk tienduizend keer dezelfde dingen, je gaat malen. Maar ik probeer wel allemaal dingen te doen waar ik me beter van ga voelen.''
Zodoende zit Jonkers weer elke zondag op de fiets, samen met een vriend van hem. Zodoende ging hij ook naar de reünie van Tourrenners in Den Bosch, eind 2003. Vandaag zit hij voor het eerst sinds jaren weer eens in zijn oude plakboeken te bladeren. Jarenlang kon hij geen fietswiel meer luchten of zien, maar langzamerhand krijgt het oude wielervirus hem toch weer te pakken. Dat gaat met horten en stoten. Medicijnen temperen de onrust en de depressieve gevoelens. Jonkers werkt halve dagen. En het onrecht dat hij voelt kan dan van lang geleden zijn, het blijft vers.
Afzien, Jonkers heeft het vaak genoeg gedaan en doet het nog steeds. Maar bladerend door zijn plakboeken, komen ook de mooie verhalen los. Over die keer dat hij, als amateur nog, in de kopgroep zat van de Omloop van de Baronie en Rini Wagtmans zijn ploegleider was. ,, Wagtmans zei, je houdt je gemak en demarreert pas als ik toeter. Ik was een nerveus baasje, dus toen de verlossende claxon kwam, ontplofte ik zowat. Ik won, Bert Oosterbosch werd tweede.'' Ook als Jonkers vertelt over die keer dat hij als beroepsrenner reed in De Clinge geniet hij van dat verhaal. Hij reed daar erg goed, want elk ronde gaven ze hem een nieuwe bidon trappist. ,, Ik was stikzat jong, maar ik won.''
Jonkers vertelt en vertelt. Het opgetogen nerveuze van vroeger is weg. Hij laat af en toe een stilte vallen. Na zo'n stilte komt er weer een nieuwe episode. Hoe vertel je acht jaar leven als wielerprof, elke koers is een verhaal apart. Het zou een eindeloos relaas kunnen worden, maar er moet ook nog iets anders gebeuren. Jonkers' zoon Jérome vraagt of zijn vader ‘dat beestje' kan voeren. ,, Gisteren zaten twee eksters een mereltje uit elkaar te trekken, dus ik heb het opgepakt en meegenomen. Nou zit het in een doosje.''
![]()