Cees Haast fietst weer voluit

Neem je voor de grap het Televizier Tourboek uit 1964 mee naar Cees Haast omdat hij ook op de omslagfoto staat, komt zijn vriendin Wilma meteen met hetzelfde boekje uit de hoek. Het lag tóch al in de woonkamer. Het is nog een gaver exemplaar ook, gered uit de wielerinboedel die Haast jaren geleden zomaar in de vuilnisbak had gegooid.

Nee, het hoefde jarenlang niet meer, dat wielrennen van vroeger, dat was voorbij. Cees Haast uit Rijsbergen gooide zijn bekers en zijn andere wielerspullen na zijn carrière zonder pardon overboord. Nu heeft hij daar spijt van. Het wielrennen heeft hem weer te pakken. Elke dag zit hij weer op zijn fiets. Op woensdag 2 maart laat hij zijn fietscomputertje even zien. Het jaartotaal van 2005 op die dag: 2501 kilometer.

Het komt allemaal door de dokter, want die zei twee jaar geleden dat Haast veel te zwaar was. Honderdenvijf, en dat voor een renner die vroeger als tenger klimmertje vaak als eerste Nederlander binnen was in de bergetappes. En die als eerste Nederlander in de hele wielergeschiedenis als eerste bovenkwam op een berg in de Tour, in 1965 op de Col de Vars. Dus toen de dokter zei dat ook zijn bloeddruk veel te hoog was, ‘ging er boven een lichtje branden’ en herinnerde Haast zich ineens iets. Hij was vroeger wel degelijk topsporter geweest en uit die tijd had hij nog een ergens een oud Batavus-frame hangen, waar hij nog mee gefietst had in de Ronde van Frankrijk. Op dat oude freemke maakt hij nu zijn winterkilometers. Spatbordje erop, rijden maar.

Haast was beroepsrenner tussen 1964 en 1969, vier jaar Televizier, één jaar Bic, het laatste jaar Willem II – Gazelle. Als onafhankelijke, de categorie tussen amateurs en beroeps in die dagen, had hij in 1963 de Ronde van Canada gewonnen, dus enige naam had hij al. Kees Pellenaars nam Haast graag op in zijn ploeg. ‘Ceesje’ werd zijn oogappel. Nooit zeuren, geen kapsones, altijd trouw. Als ‘De Pel’aan boerenzoon Haast vroeg of hij zijn gras wilde maaien, dan deed de renner zelfs dát. Sommige collega’s uit die tijd vonden dat maar geslijm. Haast zit er niet mee.

,,Ik heb het feitelijk altijd op karakter moeten halen’’, zegt Haast nu. Afzien, dat kon hij.

Cees Haast wordt slachtoffer van enthousiasme’, zo luidt de kop boven een oud verhaal dat daarover gaat. Het dateert van de Tour de l’Avenir 1963.

,,Cees Haast was vol goede moed aan de derde rit begonnen. Hij draaide uitstekend en aan de voet van de Tourmalet was hij tot alles in staat. De Brabander zat boordevol energie en waarschijnlijk is dat hem juist fataal geworden. Hoewel hij nog nooit een col van een dergelijk kaliber had beklommen, dacht hij er geen moment aan zich te sparen. Haast is daar nu eenmaal het type niet voor.’’

Het verhaal loopt af met een zwalkende renner die tot drie keer toe tegen de grond slaat van vermoeidheid en die van zijn ploegleider, Sjefke Jansen, niet eens meer aan de afdaling mag beginnen, zo slecht als hij eraan toe was. ,,Ik had twee truien aan die dag omdat ze hadden gezegd dat het boven op de Tourmalet koud zou zijn, maar het was warm.’’

Zoals Haast die dag op de Tourmalet van links naar rechts over de weg ging, zo deed Tom Simpson dat later op de Mont Ventoux, in de Tour van 1967. Haast zat die dag lang bij de Brit in het wiel. ,,Ik moest eerst lossen en vijftig meter later moest Simpson eraf. Ik zag hem vallen en liggen aan de kant. Er was feitelijk geen leven meer in. Als hij met zijn merkenploeg was geweest en niet met de landenploeg, dan had hij nu nog geleefd. Dan hadden ze hem niet door laten rijden. Ik was dat jaar het slapie van Jan Janssen. We hebben alles moeten praten om Jan de volgende dag weer te laten starten, zo kapot was hij toen hij hoorde dat Tommie dood was.’’

Het verhaal wil dat Simpson het te kwaad had gekregen met de enorme hitte die dag, in combinatie met onverstandig gebruik van middelen. Haast kan voor een deel meegaan in die versie, maar praat hem niet van den drog. Dan kijkt hij in één klap de andere kant uit. Zoals hij ook na al die jaren nog steeds niet uit de school klapt over de hoogte van de bedragen. Wel zegt Haast: ,,Voor het Nederlands kampioenschap in 1966 zaten we met de ploeg bij elkaar. Ze vroegen wat iedereen er voor over had om kampioen te worden. Ik net zoveel als Gerben Karstens. In de wedstrijd kom ik alleen op kop te zitten, wat gebeurt er? Karstens komt bij me en wint in de sprint. Het was niet leuk dat hij achter me aan kwam, we waren ploeggenoten, maar hij had het recht dat te doen omdat hij geen andere renners meenam. Maar ik was in mijn binnenste wel kwaad.’’

Zo legde Haast het in het NK van 1964 ook al af in de sprint, die keer tegen Jo de Roo. Twee keer tweede op het kampioenschap op de Adsteeg. maar ook twee etappezeges in de Ronde van Spanje. Gewónnen in de sprint, Ceesje Haast de klimmer!

,,We moeten naar Zaragoza, een korte etappe. Ik ben het bergske in de finale gaan verkennen en wilde een andere pignon. Toe Pel dat hoorde zei hij, ‘niks een andere pignon, hij ziet maar dat hij boven geraakt!.’ Nou, ik kom in een kopgroep te zitten met Bas Maliepaard, en ik wil de sprint voor hem aantrekken, maar Pel had onderweg gezegd, als je niet wint, kun je naar huis. Ik spurtte zo hard dat er niemand meer overheen kwam.’’

De tweede Vuelta-etappe die Haast wint, eindigt op de wielerbaan van San Sebastian. ,,Ik ga bovenaan de baan rijden, laat me naar beneden vallen, pak de rit en de gele trui.’’ Die trui heeft Haast twee dagen gedragen. Rijsbergen was te klein toen hij thuiskwam. De Hoefstraat, waar hij nog steeds woont, werd omgedoopt in Cees Haast-straat. ,,Ik had een hele goede supportersvereniging. Ze kwamen met twee, drie bussen tegelijk naar de koers. En toen ik het Nederlands kampioenschap van Karstens had verloren, zouden ze in staat geweest zijn om hem van zijn fiets te trekken.’’

Met de voorzitter van zijn supportersvereniging, Piet Buijs, is Haast na zijn profcarrière een drankenhandel begonnen. Daarnaast werkte hij als buizensteller in de wegenbouw; zorgen dat de rioleringsbuizen goed op elkaar aansluiten. Sinds zes jaar doet hij dat niet meer, en het contact met de wielerwereld is hersteld. Met oud-collega Jos van der Vleuten vierde hij de elfde van de elfde mee, in het zuiden de voorbode van carnaval. Met vrienden gaat hij tegenwoordig naar de wereldkampioenschappen. De tickets voor Madrid zijn alweer geboekt. Maar nu moet Haast ophouden met praten. Het ijs staat op de vijver, maar hij wil zometeen gaan fietsen. ,,Ze hebben goede kleren tegenwoordig hé, daar komt feitelijk geen wind door. Vroeger niet, dan moest je een bussel met truien aan, zo dik, daar kon je nog niet doorheen steken met een riek.’’